Posts tonen met het label bruin blauwtje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bruin blauwtje. Alle posts tonen

vrijdag 15 december 2017

De man met de zeis

Het was een zachte oktobermaand en op zonnige momenten zag ik nog steeds vlinders in de tuin.
De bonte zandoogjes zaten nog als overijverige wachtposten op de heggen, overijverig omdat ze op
alles wat beweegt af vliegen. Ook op mij dus, als ik langs loop! Er vlogen ook atalanta’s, gehakkelde
aurelia’s, koolwitjes, een versleten kleine vuurvlinder en zelfs was er een paar dagen weer een bruin
blauwtje te zien.
Maar nu, begin november lijkt het feest dan toch eindelijk afgelopen. Het bloemenweitje ligt er futloos
bij. Maar ik kijk heel anders naar het weitje, nu er icarusblauwtjes en bruine blauwtjes hebben rond-
gevlogen. Dit uitgedoofde weitje is hun broedkamer. Op de grond tussen het gras liggen, hoop ik, de
rupsen van het icarusblauwtje, net begonnen met hun winterslaap. Of misschien zijn ze nog wakker
en eten de piepkleine rupsjes als mineerders het tussenweefsel van het blad van de rolklaver, of, als
ze iets groter zijn, het hele blaadje. Met bruine blauwtjes en trouwens ook kleine vuurvlinders ongeveer
hetzelfde verhaal: de rupsjes eten de onderste laag van de blaadjes van reigers- of ooievaarsbek (bruin
blauwtje), schape- of veldzuring (kleine vuurvlinder) en overwinteren als half-volgroeide rupsjes op de
grond.
Door een kraamkamer loop je op kousenvoeten, en het liefste zou ik dat hier ook doen: alles met rust
laten en niets doen. Niet maaien dus. Mijn ‘wu wei’-tje. Ja, want stel, er zitten nog rupsjes aan de planten
te eten… Die voer je dan met maaisel en al af.
Maar niet-maaien is ook weer niet goed. De dikke laag plantenresten van uitgebloeide planten en gras
zal de grond verrijken, en dan krijg je op den duur weer minder bloemen. Die bloemen waaronder rol-
klaver, ooievaarsbekjes en schapenzuring zijn er juist door het jaarlijks maaien en afvoeren van het
maaisel gekomen.
Dus vraag ik J om te maaien. Dat doet hij met de zeis. Een man met de zeis, beter kan ik het niet
hebben. Er is wel eens onderzocht hoeveel procent van de insecten sterft door een maaibeurt. Lijkt me
monnikenwerk, zo’n onderzoek, maar geweldig dat iemand de moeite heeft genomen om dat eens uit te
zoeken. Het sterftepercentage blijkt samen te hangen met de manier waarop gemaaid wordt. Maaien in
het algemeen is een milieuramp op de vierkante meter voor het insectenleven, maar als dit met de zeis
of maaibalk gebeurt valt de schade mee, vooral als de maaihoogte 12 centimeter of hoger is. Er sneuvelt
dan zo’n tien procent. Wordt er met een klepelmaaier gewerkt, dan is de sterfte rond de 80% (en als,
zoals tegenwoordig in veel bermen gebruikelijk is, het maaisel na het klepelen direct wordt opgezogen,
loopt dit op naar 90%). Uit ander onderzoek blijkt dat een later tijdstip van maaien en gefaseerd maaien
(niet alles in een keer) ook gunstig is voor de insecten. Nou, dat doen wij allemaal! J neemt het
zeisen voor zijn rekening en ik de wu wei.

De man met de zeis

Bronnen
M. Wallis de Vries, Vlindervriendelijk maaien: hoe doe je dat? in Vlinders 3, 2016 (10-13). Wallis de
Vries bespreekt in dit artikel onder meer het onderzoek van Humbert en collega’s naar het effect van
verschillende maaitechnieken op insectensterfte.

dinsdag 25 juli 2017

Een beetje van Knorr en een beetje van mezelf

Bruin blauwtje


Ik ben zo iemand die zonder pakjes en zakjes kookt, geen instant-type zeg maar. Met tuinieren ligt dat anders. Ik koop, net als de meeste mensen, kant-en-klare planten in potjes, en ook sla, tomaten, kool en prei zaai ik niet zelf, maar koop ze als kleine plantjes. Maar ik had met mezelf afgesproken dat het bloemenweitje geen instant tuin zou worden, maar puur natuur. Door met maaien en afvoeren van het maaisel het stikstofgehalte terug te brengen, zouden de bloemen vanzelf in dit deel van de tuin komen. Aan de grassoorten die geleidelijk veranderden kon ik zien dat er inderdaad steeds minder stikstof in de grond zat. Maar qua bloemen bleef het beperkt tot een handjevol soorten als paardenbloem, duizendblad, streepzaad, distel en zuring. Ik verzamelde iedere zomer zaden uit mooie bermen, en zo kwamen er kaardenbol, teunisbloem,  boerenwormkruid en wat jacobskruiskruid bij. Voor de dagvlinders zijn vooral distel en jacobskruiskruid een bezoekje waard.
Anderhalf jaar geleden werd ik ongeduldig en kocht een zakje zaad voor inheems bloemengrasland. Vorige zomer kwamen er aarzelend wat soorten bij en dit jaar schoorvoetend nog een paar: oreganum, grasklokje, rolklaver, kaasjeskruid, centaurie en slangenwortel bijvoorbeeld. Het jacobskruiskruid kreeg het ineens naar de zin en breidde zich flink uit. Vlinders zie ik vooral op rolklaver en oreganum zitten.

Tot mijn grote opwinding vloog er in mei een icarusblauwtje door het weitje. Maar de afgelopen dagen is het een groot instant succes! Als ik op een zonnig moment ga kijken, zie ik pakweg vier citroenvlinders, twee grote koolwitjes, drie dagpauwogen, een gehakkelde aurelia, zes landkaartjes, acht oranje zandoogjes, een kleine vuurvlinder, een groot dikkopje, en (een week geleden twee, maar later) een bruin blauwtje. Icarusblauwtje, groot dikkopje en bruin blauwtje zag ik nooit eerder in mijn tuin, oranje zandoogje nooit eerder in meervoud. Ik stel tevreden (en een beetje trots) vast dat mijn ‘bloemensoepje’ in de smaak valt bij de gasten.

Juli 2017