Posts tonen met het label 2018. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2018. Alle posts tonen

donderdag 18 oktober 2018

Klein drama





Met een ladder klim ik naar de vliering van een schuur om uilenballen te verzamelen. Tussen de
uilenballen liggen tientallen vlindervleugels. De meeste zijn rood-zwart gestreept. Het zijn de vleugels
van het karmozijnrood weeskind. Er heeft zich hier een klein drama afgespeeld.
Het karmozijnrood weeskind is vrij zeldzaam, maar deze zomer zijn er juist heel veel gezien. De eerste
vond ik dit jaar in het bos op een zandpad, een kreupel exemplaar dat zich goed leende voor het maken
van een paar selfies met deze zeldzaamheid! Daarna zag ik ze in mijn tuin rondhangen bij de stroop en
wijn.
Wie zou zich daar in die zolder tegoed hebben gedaan aan deze zeldzame delicatesse? De kerkuil of een
vleermuis?

Oktober 2018








Bron










Lichtpuntjes



Een beetje mist vanmorgen. Het bloemenweitje is nog steeds, of toch nog prachtig. Een groot deel is al
gemaaid met de zeis, maar de laatste bloemen van kaasjeskruid, sint jacobskruiskruid en duizendblad
zijn gespaard. De icarusblauwtjes zijn sinds een paar weken verdwenen. Ik zie nu alleen koolwitjes,
atalanta’s en kleine vuurvlinders. Kleine vuurvlinders zijn van die volhouders, fladderende oranje
lichtpuntjes tussen al wat gemaaid, verdord of uitgebloeid is! Het is al half oktober, maar als de zon even
schijnt, vliegen ze alweer rond. Dan vergeet ik de weemoed van vanmorgen, toen de herfst zo opvallend
aanwezig was, al kwam zij gesluierd.


Oktober 2018







dinsdag 18 september 2018

She too

Als de zon even doorbreekt, vliegen er altijd wel een paar icarusblauwtjes in het bloemenweitje. Deze
zomer is het, ondanks de droogte, heel goed gegaan met de icarusblauwtjes in mijn tuin. Of moet ik
zeggen: is het heel goed gegaan met de rolklaver in mijn tuin? Door de droogte waren er maar weinig
bloemen in de bloemenwei, maar drie rolklaverplanten hebben de hele zomer tussen het dorre gras staan
bloeien. Verder was er één origanum die net ietsje schaduw kreeg en het daardoor ondanks de droogte
wist uit te houden. Op die ene origanum zaten de icarusblauwtjes vaak nectar te drinken.
Ik heb wel bewondering gekregen voor deze kleine, taaie vlindertjes. Een paar nectar- en waardplanten,
meer lijken ze niet nodig te hebben. Er vlogen steeds tussen de twee en zes icarusblauwtjes in mijn tuin.
De mannetjes hebben een territorium. Vliegt er een vlinder langs, wit, blauw of met spikkels, dat maakt
niet uit, dan zet de territorium-houder de achtervolging in. Het is een soort luchtgevecht, maar even
sierlijk en synchroon als paardansen.
Vandaag zit ik met een glas thee even in het zonnetje. Maar lang kan die rust nooit duren, want hup, daar
fladdert een icarusblauwtje, en al gauw hol ik naar binnen om mijn camera te pakken. De hemelsblauwe
mannetjes stelen als altijd de show. Ik maak een heleboel foto’s en ga verder met mijn inmiddels koud
geworden thee. Naast me landt een vrouwtje op een uitgebloeide bloemstengel. Ze heeft de kleur van een
verschoten tent en bij nader inzien vind ik dat nog mooier dan het opzichtige blauw van de mannetjes.
Klik-klik-klik zegt de camera en ik amuseer me prima. Af en toe blaast de wind tegen haar vleugels en
kiept ze opzij. Dan veert ze weer op, spreidt opnieuw haar vleugeltjes om te zonnen. Mannetjes die
avances maken weert ze met een kregel flapperen met de vleugels af.






Na een poosje gaat ze verzitten met de kop naar beneden, vleugels gesloten. Het lijkt alsof ze besloten
heeft dat de dag ten einde is. Daar zit ze roerloos en ik maak opnieuw thee voor mezelf.



Opeens landt een mannetje bovenop haar. Wat gefladder van vier vleugeltjes. Ik schiet weer uit de
luie stoel. Een kleine schermutseling. Zij heeft er geen zin in. Hij geeft het uiteindelijk op en vliegt naar
een bloem om zich te bedrinken. Ik gooi de koude thee in het gras.










September 2018

zondag 26 augustus 2018

Verborgen schatten



Altijd gedacht dat een vlindernetje bedoeld is om vlinders mee uit de lucht te vangen. Maar dit voorjaar
hielp ik in het kader van het duizend-soorten-weekeinde om rupsen te zoeken op de heide van de
Kampina. Ik kreeg de opdracht om met het net over de heideplanten te vegen. En nog meende ik op
die manier vlinders te vangen die op zouden vliegen uit de heide. Maar tot mijn verbazing vond ik rupsen
in het netje. Zoals dit mooie dikkertje, dat na wat speurwerk de rups van de bruine metaalvlinder bleek
te zijn. Mijn groepsgenoten waren opgewonden over deze vangst, omdat de bruine metaalvlinder niet
vaak gezien wordt. Hij leidt een verborgen leven volgens de boeken.






Deze zomer loop ik door de heide op zoek naar gentiaanblauwtjes. Als lid van de Blauwe Brigade mag
dat off-road! Mijn oog valt op iets blauws, maar het is geen gentiaanblauwtje. Een bruinachtig vlindertje
met metallic blauw glanzende kop en schouders. Daar zul je hem hebben, denk ik. Maar met die verborgen
levenswijze valt het wel mee! Hij is langs een spriet van het pijpenstrootjesgras omhoog geklommen en
het lijkt alsof hij op de uitkijk zit.




dinsdag 21 augustus 2018

Onrust in de tuin


“Als eene gedachte verschijnt hij, drinkt uit een aantal bloemen en verdwijnt.”
Snellen van Vollenhoven 1870


Een kolibrievlinder in de tuin! Dat veroorzaakt wel wat commotie, om niet te zeggen onrust, zowel bij
mij als een van mijn kinderen -stadsmens- (mijn man is onverstoorbaar). Volgens de statistieken is
de kolibirievlinder “zeer algemeen”, maar ik heb er maar één keer eerder eentje in onze tuin gezien.
Heb ik nou gewoon heel veel pech, of zijn er flinke gradaties in deze kwalificatie?
De vlinder schiet als een drone snorrend van het ene vlijtige liesje naar het andere. Ik hol naar binnen
om mijn camera te pakken. De ongedurige gast blijft net lang genoeg dat ik een paar foto’s kan maken.
Met het witte beddenlaken, dat al de hele zomer aan de waslijn hangt voor de nachtvlinders, als
achtergrond lijkt het eerder een studiofoto dan een tuinfoto!
Vroeger heette deze vlinder de ‘onrust’*. “Pijlsnel komt een bruin vlindertje toegevlogen. Op de bloemen
gaan zitten? geen spraak daarvan. In trillende vlucht blijft het diertje voor de bloem 'staan'; een
lange zuigtromp priemt vlug in den kelk… en weg… op een andere bloem. In een minuut tijds heeft de
pepel niet minder dan 27 bloemen bezocht, uit elk vluchtig een drupje honing gepuurd om spoedig
elders over te wippen. Neen, de naam van 'onrust' is niet onaardig gevonden. De peter van dat diertje
had dit meer dan gewoon juist afgekeken, om dit zenuwachtig wezentje aldus kenmerkend te doopen”,
zo schrijft de Vlaamse priester Leo Senden in 1942.
Een halve eeuw eerder had Frederike van Uildriks, een Nederlandse natuurschrijfster, voorgesteld om
de vlinder de ‘duivenstaart’ te noemen, als vertaling van het Duitse ‘Taubenschwӓnzchen”, maar zonder
navolging. “Het stevige korte lichaam is van achteren plat en eindigt daar in een breede pluim als een
vogelstaart.” Ik vind dat een mooi detail, dat weliswaar minder in het oog springt als de kolibrie-achtige
manier van vliegen en de grote onrust waarmee dit gepaard gaat, maar wel heel sierlijk is.



* Eigenlijk ‘kleine onrust’ ter onderscheiding van de wat grotere windepijlstaart, die ook ‘helicoptert’.
Een andere oude naam voor de vlinder is ‘meekrapvlinder’ vanwege een van de waardplanten voor de
rups, de meekrap, een verfplant die tot halverwege de negentiende eeuw vooral in Zeeland werd geteeld
om gele kleurstof van te maken. De rupsen konden in sommige jaren flink schade toebrengen aan de
meekrapoogst.


Bronnen
Het eerste citaat (Als eene gedachte…) is afkomstig uit ‘Gedaantewisseling en levenswijze der insecten’
(pag. 203) van Samuel Constant Snellen van Vollenhoven, verschenen in 1870 bij Kruseman.


Het tweede citaat (Pijlsnel komt een bruin vlindertje…) komt uit ‘Mooie vlinders’ (pag. 82) van Leo
Senden, verschenen in 1942 bij Haseldonckx.


Het derde citiaat (Het stevige korte lichaam…) staat in ‘Vlinder-Wereld’ (pag. 50) van F(rederike) J. van
Uildriks en Dr. Vitus Bruinsma, verschenen in 1899 bij Versluys.


De verklaring van de namen ‘kleine onrust’ en ‘grote onrust’ is te vinden in Sepp III (Winde Piylstaart,
pag. 269). De naam ‘meekrapvlinder’ was al gebruikelijk in .., toen Sepp over de vlinder schreef (deel II,
3e stuk pag. 1)

Een heel klein staartje

Klokjesgentiaan met een eitje van het gentiaanblauwtje

Vandaag mocht ik in het Hageven helpen met het tellen van de eitjes van het gentiaanblauwtje.
Bij ‘ons’ in de Kampina zijn er dit jaar rond de 900 eitjes geteld, ruim het dubbele van vorig jaar. Een
vrouwtje kan ongeveer 50 eitjes leggen. Daar doet ze zo’n drie dagen over, dan is ze uitgeput. Er zijn
dus pakweg 18 vrouwtjes (en een gelijk aantal mannetjes) op de Kampina. Er mogen dan wel meer eitjes
dan vorig jaar zijn geteld, dertig tot veertig vlindertjes blijven een hele kleine, kwetsbare groep.
In het Hageven hebben ze van alles veel meer: veel meer klokjesgentianen, en veel meer
gentiaanblauwtjes. Daar kan ik enorm van genieten. En ook van het enthousiasme en de deskundigheid
van de vrijwilligers daar. Daarom ga ik graag helpen.
Als dank vertellen ze me waar staartblauwtjes gezien zijn in het Hageven, en ik krijg toestemming om
van het pad af te gaan en over een de afrastering te klimmen. Zo’n kans laat ik niet schieten, ook al heb
ik geen verrekijker of camera bij me. Na wat zoeken heb ik ze gevonden! Met veel geduld schuif ik steeds
wat dichterbij, net zolang tot ik het piepkleine staartje kan zien.



Augustus 2018

woensdag 8 augustus 2018

Oud en versleten



Er landt iets op een zaaddoos van de blaassilene. Zo te zien een ongewoon vlindertje, een beetje flets
van kleur. Ik gebruik mijn camera om het beter te zien. Allemachtig, wat een versleten vlinder is dat!!
Het is een icarusblauwtje, een vrouwtje, waar het hemelsblauw gekleurde mannetje dat in mijn tuin zit
en ik zo naar hadden uitgekeken!
Ik mag aannemen dat het mannetje haar al veel eerder heeft opgemerkt dan ik. Dan heeft hij haar flink
weten te verslijten! Wie weet zijn er meer mannetjes in mijn tuin (hoewel ik er steeds maar één tegelijk
heb gezien) die haar met vereende krachten uitgeleefd hebben. Of: er is een estafette van telkens een
nieuw ‘vers’ mannetje dat haar het hof heeft gemaakt. Of: ze komt van elders en is hier net uitgeput in
mijn tuin geland!?
Dit is het leuke van een tuin: het is een speeltuin voor de amateur-‘bioloog’. Ik doe mijn observaties
wanneer het me uitkomt, de ene keer een paar minuten, dan andere keer wat langer. Er rijzen vragen en
ik bedenk er ook weer zelf de antwoorden bij, niet gehinderd door tabellen of statistieken. Ik probeer
er iets van te begrijpen, maar de vragen nemen eerder toe dan af. En die nieuwsgierigheid geeft een
prettig soort opwinding, en maakt dat ik weer een rondje door de tuin loop.


Het versleten vrouwtje heb ik na die middag niet meer terug gezien. Wel zag ik de dagen erna een ‘vers’
vrouwtje, en nog steeds dat ‘ene’ hemelsblauwe mannetje.


Vers bloed


Augustus 2018

maandag 6 augustus 2018

Alleseter



Gehakkelde aurelia, gewoon, op een bloem

De gehakkelde aurelia is een echte alleseter. In mijn tuin zie ik hem op allerlei soorten bloemen
nectar drinken. Maar daar blijft het niet bij. Met zijn roltong zuigt hij de restjes wijn uit het wijntouw,
sap uit rot fruit en in hout weet hij ook iets drinkbaars te vinden!


Op het wijntouw


Likkend van wat gemorste zoete wijn. In het bakje ligt het ‘wijntouw’ dat ik voor de nachtvlinders ophang


Op een houten paaltje


Op rot fruit






Slurpen



Boomblauwtje drinkt nectar op een bloem van het jacobskruiskruid

Door de droogte is mijn tuin gortdroog. Afgelopen week heb ik meegedaan met de tiendaagse tuinvlindertelling. Dan valt het op dat er veel minder vlinders rondvliegen dan vorig jaar. Soorten als citroenvlinder, dagpauwoog, kleine vos, kleine vuurvlinder, landkaartje en bruin blauwtje zijn er helemaal niet. Ik zie steeds maar één oranje zandoogje, terwijl ik er vorig jaar soms vier of vijf tegelijk zag. Heel logisch allemaal, want bloemen zijn er ook niet veel in mijn tuin. De vlinderstruiken zijn al uitgebloeid en in het vlinderweitje ziet het eruit alsof een vlammenwerper eroverheen is gegaan. De oreganums zijn verdroogd, het koninginnekruid is zelfs niet in bloei gekomen. Sint jacobskruiskruid, luzerne en rolklaver zijn de enige planten die behoorlijk goed tegen de droogte kunnen.

Het boomblauwtje tref ik vaak nectar drinkend op een bloem aan. Dat zie je niet vaak! Ze drinken honingdauw (een heel mooi woord voor rupsenpoep) op boombladeren. Kennelijk is die er nu niet. Zou het verdampen, of zouden er weinig rupsen zijn?
De gehakkelde aurelia en atalanta behelpen zich met de aangevreten pruimen die ik in een schaaltje heb gelegd. Het wijntouw en de smeer voor de nachtvlinders vinden ze ook niet verkeerd. De hele dag hangen ze zo’n beetje rond in de mini-bar.

wijnslurper (gehakkelde aurelia)


De mini-bar is 24/24 open. Hier een karmozijnrood weeskind

Het klinkt heel truttig, maar ik vind het zó schattig om een vlinder te zien drinken, met de lange tong in de bloem gestoken (of wat anders…). Het is natuurlijk ook wel een handig moment om een foto te maken, omdat ze stilzitten. Maar óók heel mooi: die kalme aandacht, de manier waarop ze hun poten zetten, de uitpuilende ogen, de sprieten parmantig vooruitgestoken.
Hieronder wat foto’s van slurpende vlinders in mijn tuin, dit jaar of vorig jaar genomen.

Groot dikkopje op luzerne




Distelvlinder op jacobskruiskruid


Groot koolwitje op braam





Rood weeskind op het wijntouw

Piramidevlinder op een pruim

Kleine vos op een vlinderstruik


Drie icarusblauwtjes zuigen mineralen uit de bodem






Landkaartje op jacobskruiskruid


Citroenvlinders verdringen zich op de distel



Hooibeestje op duizenblad

Dagpauwoog op het knoopkruid

maandag 30 juli 2018

Kijk nou eens wat ik hier vind



Vleeskleurige (?) orchis


Soms vind ik iets door het te zoeken, een boek bijvoorbeeld: “Het moet hier ergens tussen staan”.
Maar veel vaker vind ik iets heel anders dan datgene wat ik zoek: “Hé, hier liggen mijn sleutels in het
laatje met enveloppen! Die was ik al drie dagen kwijt!!”
De meeste vlinders vind ik, doordat ik ze gezocht heb. Eerst heb ik op internet uitgezocht waar ze
voorkomen, wat hun vliegtijd en biotoop is, hun favoriete nectarplant, hun waardplant. En daarna
begint het zoeken in de natuur. Soms valt dat mee, zoals bij de veldparelmoervlinder. Soms zoek ik
jaar in jaar uit, zoals bij de grote weerschijnvlinder.
Maar afgelopen weekeinde vond ik een -voor mij nieuwe soort- vlinder, zonder dat ik gezocht had. Ik
ging naar De Bruuk, een klein reservaat met blauwgraslanden, omdat daar nu de orchideeën bloeien. Ik
moest in de buurt zijn om een van mijn kinderen te helpen met het ophalen en in elkaar zetten van
een Ikea-tafel. Daarna was er nog wat tijd over voor een wandeling en ik stelde De Bruuk voor, wat ver
om vanuit Brabant naar toe te rijden, maar vanuit Nijmegen goed te doen.
De orchideeën zijn snel gevonden, de paarse bloemstengels vallen nogal op tussen het groene gras. Ik
zeg groen gras, en zo ziet het er ook uit. Op internet lees ik dat blauwgrasland zo heet, omdat het door
de blauwe en blonde zegge een blauwe tint heeft. Die blauwe tint valt me eerlijk gezegd niet op. Wel zie
ik die paarse orchideeën, wat, volgens de informatie, de vleeskleurige of de gevlekte orchis moet zijn.
Bijna alle orchideeën zijn hier paars, sommige hebben gevlekte bladeren, anderen zijn zonder vlekken.
Of dat dan de zogenaamd vleeskleurige zijn? Het maakt ook niet uit, ze zijn prachtig en de weitjes zijn
ook prachtig. Ik kijk naar orchideeën zoals een ander naar vlinders: meer dan oh of ah komt er niet uit.
Van namen enzo heb ik geen benul.
Vroeger waren er in Nederland heel veel blauwgraslanden op plekken die te nat waren voor landbouw,
vooral in beekdalen en laagveengebieden. De weilanden werden één keer per jaar gemaaid voor hooi en
soms korte tijd beweid. Zo werd de bodem steeds voedselarmer, kwamen er meer zegge-soorten en ook
meer bloemen. Inmiddels is er nog maar zo’n dertig hectare blauwgrasland over in Nederland, zorgvuldig
beheerd door natuurorganisaties. De grootste opgave is, om het water ín en het alom aanwezige stikstof
buiten het gebied te houden.
Maar nu over die vlinder. Eerst viel me op dat er eigenlijk geen vlinders te zien waren. Ik had verwacht
dat er boven zo’n bloemrijk veld het een en ander rond zou fladderen. Na een poos zag ik in de verte iets
fladderen. Ik had geen verrekijker meegenomen, maar door de telelens van mijn camera helemaal uit te
zoomen kon ik zien dat het een koninginnenpage was. Ik zou haast zeggen: de bekroning voor al dat
beschermingswerk. Maar toen zag ik een oranje vlinder rondfladderen. Tot ergernis van het kind dat
mee wandelde, denk ik ('genant, zo’n moeder'), en teleurstelling van de honden ('saai, zo’n vrouwtje,
dat wordt weer wachten'), zette ik de achtervolging in, rende heen en weer over het pad om in de buurt
te zijn als de vlinder ergens zou landen. Dat lukte niet bij het eerste, maar wel bij een tweede exemplaar
en opnieuw geholpen door de telelens, was al gauw duidelijk dat dit een zilveren maan was. Dat is pas
echt een kroon op het beschermingswerk!


  
Geen fraaie foto’s, maar toch: zilveren maan op moeraskartelblad