Posts tonen met het label verdwenen dagvlinders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verdwenen dagvlinders. Alle posts tonen

maandag 20 maart 2017

Dik en plomp


Plaat 48 deel I: Malva


Solche Raupen / dergleichen eine / auf dem untersten / grünen Blatt umher kreucht [...] / scheinen etwas dick und ungelenk zu sein.
Zulke rupsen waarvan er een op het onderste groene blad rondkruipt, lijken wat dik en plomp.


Deze prent heeft mij hoofdbrekens bezorgd. De voedselplant, kaasjeskruid, wijst eigenlijk eenduidig in de richting van het kaasjeskruiddikkopje. Als ik zelf niet zo pietluttig zou zijn, dan was ik hier snel mee klaar geweest. Want kijk naar foto’s van het kaasjeskruiddikkopje en van de rups ervan, en dan zeg je: ja, dat lijkt best wel.
Maar mij zat die gele lengtestreep op het lijf van de rups dwars. En trouwens ook die zwartbruine kleur van de vlinder. Nee, het kon mij niet overtuigen.




  
Rups en imago van het kaasjeskruiddikkopje




Nu is het zo dat de platen in dit boek, toen het in 1679 verscheen, stuk voor stuk met de hand ingekleurd moesten worden. Merian deed dit zelf, maar het boek was dan natuurlijk wel duurder. Er zullen ook kopers zijn geweest die het zelf inkleurden. Misschien is dit exemplaar niet door Merian zelf ingekleurd, dacht ik.
Gelukkig is er nóg een ander boekexemplaar online gezet. De prenten in dit exemplaar zijn allemaal wat zachter van kleur.



   
Details uit dezelfde plaat van een ander boekexemplaar

De vlinder lijkt daardoor al wat beter, al is die zo kenmerkende donkere vlek op de voorvleugel niet echt -of niet echt duidelijk- te zien. Maar die rups heeft nog steeds zo’n opvallende lengtestreep…
In de Duitse tekst beschrijft ze de rups als volgt: “sind braun/ und haben einen schwarzen Kopf/ hinter demselben etwas gelbes/ scheinen etwas dick und ungelenk zu sein [...] diese alle [pootjes] sind [..] aschenfarb/ wie auch ferner das übrige von den Raupen also beschaffen ist.” Een nauwkeuriger beschrijving van de rups valt eigenlijk nauwelijks te geven: bruine rups met zwarte kop en daarachter iets geels; dik en plomp lijf; poten en rest van de rups askleurig. Nu we het er toch over hebben: dat askleurige lijf is in beide ingekleurde prenten ook niet echt uit de verf gekomen.

Hoe zou dat gegaan zijn met het inkleuren? Zou iemand anders de twee boeken hebben ingekleurd? Of zou de concentratie verslapt zijn toen Merian met deze plaat bezig was? Een jaar voordat dit boek verscheen, had ze haar tweede kind gekregen. Lijkt mij genoeg reden voor verslappende concentratie.

Ik begon intussen erg nieuwsgierig te worden naar de allereerste (gekleurde) schets die Merian gemaakt had van de rups en vlinder van het kaasjeskruiddikkopje. Daarvoor moest ik op zoek naar haar schetsboek, of studieboek zoals ze het zelf noemde. In dit boek had Merian aantekeningen en waterverftekeningen gemaakt van alle insecten die zij in haar leven had gekweekt. Niet lang na Merians overlijden kwam een gezant van tsaar Peter de Grote naar Nederland om kunst te kopen van Nederlandse kunstenaars. Hij bezocht ook een van de dochters van Merian en kocht alle aquarellen. Ze liet hem ook het studieboek zien en dat beviel schijnbaar: hij kocht het niet voor de tsaar, maar voor zichzelf. Toen de gezant jaren later overleed, kwam het studieboek toch nog in de kunstcollectie van de tsaar terecht. In 1979 werd hiervan een facsimile gedrukt. Na wat zoeken vond ik het bij een antiquariaat. Een boek met het gewicht en de afmetingen van een stoeptegel. Daar kan ik wel even mee vooruit!
Afbeelding 85 is van het kaasjeskruiddikkopje.


   
Details van dezelfde vlinder uit het studieboek van Merian

De lengtestreep is hier nog maar heel subtiel. Misschien heeft ze die gemaakt om diepte te geven, of om de iets lichtere kleur rondom de ademopeningen aan te geven. De kleur van de rups en vlinder kloppen ook beter (hoewel, die donkere vlekken op de vleugel…, hm). Ik was tevreden gesteld.

Het kaasjeskruiddikkopje verdween  in 1953 uit Nederland als standvlinder. Maar er is goed nieuws: in 2009 werden er twee gezien op de Sint Pietersberg bij Maastricht en sindsdien gaat het steeds beter. Klimaatopwarming wordt als oorzaak voor de gebiedsuitbreiding genoemd. Elk nadeel heb zijn voordeel.


Bronnen

Biografische gegevens over Merian zijn afkomstig uit: Kim Todd (2007), Chrysalis: Maria Sibylla Merian and the secrets of metamorphosis.

Het citaat:  Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumen-nahrung I (1679)
De (volledige) tekst in de Nederlandse uitgave luidt:
Dit bloemgewas is het voedzel van een dikke bruine Rups, wanneer ze veranderen dan rollen ze een blad in malkander en maaken een blaauwe Pop. Zommige hebben my nog in November Kapellen uitgelevert, die van een groen gemengde Koleur waren, zy bleven ook wel in haar blad tot des volgenden jaars in Januari, als wanneer daar diergelyke Kapellen uit kwamen, gelyk gezegt is.


De afbeeldingen respectievelijk:
Detail uit de facsimile van het studieboek van Merian: Wolf-Dietrich Beer (red.) Schmetterlinge, Käfer, und andere Insekten




Het goede nieuws:

dinsdag 21 februari 2017

Wat leeft en groeit


Een van de meest algemene vlinders
en drie verdwenen namen

Vorige week vond ik op een boekenmarkt een serie oude natuurboekjes met de mooie titel ‘Wat leeft en groeit’. Het waren 21 deeltjes met onderwerpen als zoogdieren, vogels en vlinders, maar ook andere beestjes als wormen, wantsen en holtedieren, waardoor ik voor tien euro de kans kreeg om een paar van mijn blinde vlekken weg te werken. Áls ik ze ga lezen, want helaas blijven veel boeken als mooie goede voornemens op de plank staan. De boekjes zijn tussen 1939 en 1951 verschenen, oorlog of geen oorlog, schrijvers en lezers blijven geïnteresseerd in wat er zoal leeft en groeit.
Voorlopig heb ik alleen de twee deeltjes over de vlinders doorgebladerd. En ik zie dat ik voor die tien euro in een klap alle zeventien inmiddels uit Nederland verdwenen dagvlinders heb ‘teruggevonden’. En niet alleen verdwenen vlinders, maar ook verdwenen vlindernamen vind ik hier op de vergeelde bladzijden. Het oranje posthoorntje, veengeeltje, Nijmeegse kapel, het dravik-dikkopje: soorten die je nog steeds in Nederland kunt zien, alleen de welluidende namen zijn verdwenen.





Bronnen

Afbeelding: tekening van Sjoerd Kuperus op p. 66 van Vlinders I (Deel 21 van ‘Wat leeft en groeit’, red. Rinke Tolman), Utrecht z.j.

vrijdag 10 februari 2017

Huisvlijt



Plaat 35 uit deel II van Der Raupen wunderbare Verwandelung
Slee-Pruim-Bladeren


Het is dit jaar 300 jaar geleden dat Maria Sibylla Merian is overleden. Op 13 januari 1717 dus, in Amsterdam. Dat lijkt mij een goede aanleiding me in haar werk en biografie te verdiepen. Ik ben meteen maar begonnen met de biografie Chrysalis die Kim Todd over haar heeft geschreven, en het driedelige boek over de Europese rupsen en vlinders van Merian. Van dit boek zijn zowel de oorspronkelijke Duitse versie met ingekleurde prenten als de later door haarzelf naar het Nederlands vertaalde versie, helaas niet ingekleurd,  online te bekijken. Het zou anders wel een erg dure hobby worden!
In deze drie boeken staan enkele dagvlinders maar vooral nachtvlinders, veel sluipwespen en vliegen die op de vlinders parasiteren, en nog wat andere insecten. Omdat ik vooral thuis ben in de dagvlinders, begin ik daar maar mee. Veertien dagvlinders heb ik op de platen gevonden. De meeste zijn ook nu nog algemene soorten, omdat ze haar rupsen en vlinders vooral in tuinen zocht. Maar er zijn er ook een paar die in Nederland inmiddels zeldzaam zijn geworden of verdwenen.
Merian heeft haar hele leven rupsen gevangen en opgekweekt en haar tekeningen en notities werkte ze uit in aquarellen waarop ze een compositie maakte van de voedselplant, de vlinder in alle stadia en vaak ook de parasiet. Er is mij geen hedendaags boek bekend waarop al deze informatie, inclusief de parasiet, is beschreven. Alleen al daarom vind ik haar boek leerzaam. Een andere uitdaging is dat wel de planten benoemd zijn (zoals bij de plaat hierboven: de sleepruim), maar niet de insecten. Dat is nog altijd méér dan wanneer ik in de zomer een rups aan een blad zie knabbelen, want die dragen beide geen naamkaartje. Zo heb ik dus wat te puzzelen deze winter. Maar wat ik het leukste vind, is dat het nauwkeurig bekijken van de platen steeds nieuwe vragen oproept: over uiterlijk, levenswijze, ecologie van de vlinder; maar vooral ook over die vrouw van meer dan driehonderd jaar geleden, haar leven, haar drijfveren, de hobbels op haar weg, haar ‘ecologie’. Wat wist men in haar tijd over insecten? Hoe dacht men over natuur? Hoe werd er naar haar gekeken?


Hierboven is de prent met het groot geaderd witje te zien. Anders dan bij de meeste prenten heeft Merian hier niet een compositie gemaakt van de voedselplant met de vlinder in verschillende stadia erop, maar het blad gevuld met afzonderlijke tekeningen van het groot geaderd witje, een nachtvlinder (donsvlinder denk ik) en een parasitaire vlieg.
Het imago (het laatste stadium van de vlinder) van het groot geaderd witje is moeiteloos te herkennen. De rups is hariger en donkerder geel dan op de tekening te zien is. Het is mij op meer platen van Merian opgevallen dat de rupsen minder harig zijn dan in werkelijkheid. Maar wat is werkelijkheid? Misschien waren de harige rupsen toen, driehonderd jaar geleden, gewoon minder harig dan nu, en krijgen ze steeds langere haren om hun predatoren een stapje voor te blijven. Bij mijn weten eet alleen de koekoek harige rupsen. Maar misschien zijn er nog andere vogels die zich wagen aan rupsen met kortere haren…?  
De pop op de prent is wit met zwarte en gele puntjes. In de tekst schrijft ze dat “zommige wit, geel en swart geplekt, andere zyn groen en geel met swarte vlakken”. Ze heeft dus aardig wat rupsen opgekweekt om deze kleurvariatie te kunnen opmerken. Nu hebben twee Duitse universiteiten hun boek online gezet, en in het andere boekexemplaar is de pop geelachtig ingekleurd. In beide boeken staat dus een variant! In de Duitse tekst beschrijft ze nog een detail dat op de tekening niet is te zien: dat de pop met een zijden draad die halverwege om het ‘lijf’ zit aan de tak vastzit. Niet getekend, wel gezien!


  
Detail, links van het boek uit Frankfurt, rechts uit Erlangen; en een foto van de groene variant


In het Duitse boek vertelt Merian dat ze geen eitjes heeft kunnen tekenen, omdat de imago’s in een vlinderkasje altijd meteen dood gingen. Een klein roerend detail: het groot geaderd witje moet haar vleugels kunnen uitslaan!
Maar dat betekent dus ook dat zij elke rups, die ze opkweekte en liet verpoppen om de rups, pop en vlinder van deze soort na te kunnen tekenen, in fruitbomen moest zoeken. Of zou ze een buurjongetje gevraagd hebben om voor een pfennig de boom in te klimmen en rupsen te zoeken? Hoe dan ook, omdat ze de kleurvariaties van de pop beschrijft, heeft ze een heleboel rupsen opgekweekt. Waarom deed ze dat? Om ze voor deze plaat te kunnen natekenen, had ze met één of twee keer opkweken genoeg ‘materiaal’ gehad.
In het voorwoord van het eerste deel vind ik iets van een antwoord hierop. “Da ich dann / nach fleissiger und langwieriger Untersuchung / endlich soviel befunden / daß diese Manier und Veränderungs-art fast einerlei seih; ausser daß [...] aus manchen Raupen oder Würmern gar Fliegen / oder Mucken werden”.  Vrij vertaald zegt ze dat ze door vlijtig en langdurig onderzoek bevond dat de rupsen vrijwel steeds op dezelfde manier veranderen, met uitzondering van enkele rupsen waar vliegen of muggen (sluipwespen) uitkwamen. Haar belangstelling reikte dus verder dan haar kunst. Ze kweekte de rupsen niet alleen om aan modellen te komen voor haar schilderijen en prenten, maar ook omdat ze erachter wilde komen of  rupsen altijd in vlinders veranderen, en rupsen van hetzelfde uiterlijk altijd in vlinders van hetzelfde uiterlijk veranderen. Ze zocht naar een wetmatigheid en ze was bezig met classificeren, met het in beeld brengen van vlindersoorten in een tijd -bijna een eeuw voor Linneus- dat er nog geen officiële namen aan waren gegeven.


Tot de jaren twintig van de vorige eeuw was het groot geaderd witje, toen nog boomwitje genoemd, een algemene soort in Zuid- en Oost Nederland, maar daarna ging het geleidelijk bergafwaarts, oorzaak onbekend. Sinds 1975 is het groot geaderd witje uit Nederland verdwenen. Hij was vooral te vinden in “sleedoorn, pruimen-, appel- en perenbomen, dus op allerhande fruithout, hetgeen onvermijdelijk meebrengt, dat de rupsen in ‘goede’ [boomwitjes-] jaren soms zeer schadelijk kunnen zijn”, zo staat in een vlinderboek uit 1941 te lezen. Misschien werd de flitspuit wat veel gehanteerd in de Nederlandse boomgaarden…?


Het op naam brengen van de nachtvlinder kostte me nogal moeite. Het gele achterlijf leek te wijzen op de donsvlinder, maar ik vond het merkwaardig dat Merian de kop ook geel had gekleurd. In het boekexemplaar van de universiteit van Frankfurt is alleen het achterlijf geel gekleurd. In de literatuur valt steeds te lezen dat het inkleuren alleen door haarzelf of -toen deze oud genoeg waren- haar dochters werd gedaan. Zo te zien slopen daar  soms slordigheidsfoutjes in! Allemaal handwerk!!
De vlindertjes steken hun opvallend gele achterwerk omhoog bij verstoring: een hongerige vogel zou daarvan kunnen schrikken.


          
Detail, links uit het boek van Frankfurt, rechts Erlangen; en een foto





Februari 2017


Bronnen
Afbeelding: Kupfer XXXV uit Der Raupen wunderbare Verwandelung enz. deel II, online exemplaar van de universiteit van Erlangen-Nürnberg
rechtsonder: rups donsvlinder
linksonder: pop en spinsel en jonge rups donsvlinder
middenonder: imago donsvlinder en rechts daarnaast imago vrouwtje dat eitjes legt, bedekt met spinsel
links-midden: van boven naar onder parasitaire vlieg, pop en made
rechts-midden: rups van groot geaderd witje
midden-midden: pop groot geaderd witje
linksboven: imago groot geaderd witje
rechtsboven: idem


De linker detailafbeeldingen zijn afkomstig van het online exemplaar van de universiteit van Frankfurt


De foto van de pop van het groot geaderd witje (door mij bewerkt):


De foto van de donsvlinder:


De tekst over het groot geaderd witje in de Nederlandse uitgave (Der Rupsen begin, voedzel enz.)
Hooger opwaarts zit mede een Rups op een Sleeblad, zynde swart geel gestreept en glantzig van lyf; in ‘t midden van Augusti klampen ze zich vast aan een takje, omwinden zich vast met witte draat, gelyk zyde, en veranderen in Popjes, zynde zommige wit, geel en swart geplekt, andere zyn groen en geel met swarte vlakken, geraakt zynde zyn ze zeer beweegende; in ‘t laatst van Augusti komen daar witte en geele witjes uit, zynde de vlerkjes met swarte streepjes geteekent, ook is ‘t lyf, de oogen en pootjes swart, zynde over dag zeer snel en vlugt.


“Da ich dann / nach fleissiger …” uit deel I van Der Raupen wunderbare Verwandelung enz., online exemplaar van de universiteit van Erlangen-Nürnberg


Voor de vergelijking met recente informatie waren de volgende sites en boek het meest bruikbaar:
Heiko Bellman, Vlinders, rupsen en waardplanten. Utrecht 2003.


“Sleedoorn-, pruimen-, appel…” uit Rinke Tolman, Vlinders I, deel 21 van ‘Wat leeft en groeit’. Utrecht z.j. [1941], p. 23


Flit werd sinds 1920 door Esso verkocht als bestrijdingsmiddel tegen insecten. Het bevatte DDT.

woensdag 8 februari 2017

De vele V's



Een Vaag beeld van wat ik Vermoed dat een Veenbesblauwtje is,
gemaakt in 2012 natuurpark Tiveden in Zweden


Een V is geen goed teken in de natuur. Het staat daar niet voor Vrijheid, of Vredig. Tenzij het twee hazenoren zijn die boven het gras uitsteken, als een witte V met zwarte puntjes, staat het voor alles wat er mis kan gaan in de natuur.


In de krant staat vandaag een artikel over de vlinders in Drenthe, met als kop: Drentse vlinders gaan ten onder aan mesten en maaien. Hierdoor staan er haast geen bloemen meer in de weilanden en bermen.
Maar ook natuurgebieden lijden onder Vermesting (stikstofdepositie uit de lucht) door de naburige intensieve landbouw. Zelfs in Drenthe. In de o zo typisch Drentse veengebieden huist het allerlaatste restant van drie vlindersoorten: het Veenbesblauwtje, de Veenbesparelmoervlinder en het Veenhooibeestje. In het artikel wordt klimaatopwarming genoemd als verklaring voor de achteruitgang van deze soorten. Nederland ligt aan de zuidgrens van het verspreidingsgebied van Veenbesblauwtje en Veenparelmoervlinder, dus het is goed mogelijk dat deze twee soorten hierdoor -of is het méde hierdoor?- Verdwijnen. Maar voor het Veenhooibeestje, een soort die honderd jaar geleden vrij algemeen was, gaat die verklaring niet op en speelt intensivering van landbouw een grote rol. Eerst namen de aantallen af door ontginning van veengebieden en de laatste decennia door het bekende onheilskwartet: Versnippering, Verzuring, Vermesting, Verdroging. En dat leidt weer tot Vergrassing en Verbossing.


Maar er is nóg een bedreiging voor deze veenvlinders, zo valt in het krantenartikel te lezen: Verstoring door natuurfotografen, waardoor de vlinders te vaak opvliegen en een prooi worden voor de vogels.


De Drentse Veenvlinders staan op mijn verlanglijstje voor deze zomer. Maar als ik dit lees, doe ik er beter aan om om ze met rust te laten. Ik kan ze in oude natuurboeken zoeken, zoals ik met de uit Nederland Verdwenen vlinders doe. Of op vlindervakantie naar het buitenland gaan. Zo’n vakantie is niet bedoeld om bij te komen van drukke bezigheden, maar van al die V’s die onze natuur zo saai maken.  


Februari 2017


Deze blog is een Vervolg op: THERE IS A HOLE IN MY BUCKET


Bronnen
Het krantenbericht staat in Trouw, 7 februari 2017, Verdieping p. 9

donderdag 19 januari 2017

Rouwig




Detail van een pagina met kopergravures van vlinders


Ik ben geen ‘komt-goed’ iemand en ook niet van het vooruitgangsdenken. Als het winter is, en de stemming door gebrek aan groen en bloemen, door kou en korte dagen ondermijnd wordt, kijk ik graag achteruit en ben dan een beetje rouwig over mooie dingen die er niet meer zijn.
Rouwig, dat klinkt wat somber, maar rouwig zijn hoeft geen sombere bezigheid te zijn. Ik stuit soms op mooie dingen, nieuwe oude mooie dingen, mooie dingen waarvan ik nog niet eens wist dat ze weg zijn, verdwenen in een voltooid verleden tijd.
Zo zat ik bijvoorbeeld te grasduinen in boeken van Jac. Thijsse en Eli Heimans en kwam daar de rouwmantel in tegen, een vlinder die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, toen mijn interesse vooral naar speelgoed en kabouterboeken uitging -ik was in zomer en winter een binnenkind-, als standvlinder uit Nederland verdween. Wel worden er af en toe zwervers gezien, in sommige jaren zelfs veel. Zelf heb ik nog nooit een rouwmantel gezien.
Maar aan het begin van de twintigste eeuw, toen Thijsse en Heimans ons land afstruinden en erover schreven, was de rouwmantel in de duinen en zandgebieden een vrij algemene standvlinder. Vooral op de Veluwe werd hij vaak gezien.
Daar, of eigenlijk daar waar nu de Veluwezoom is, wandelden de heren geregeld en zagen ze vlinders die overwinterd hadden zich in de voorjaarszon koesteren. Ik wandel even met ze mee:
“Van ‘t voorjaar wandelde ik met een paar kennissen in de Paaschvakantie van Laag-Soeren naar Ellecom; het was heerlijk lenteweer en tal van pas uit hun winterslaap ontwaakte vlinders dwarrelen om ons heen. Op een breeden, zonnigen boschweg daalden ze stuk voor stuk langzaam neer en zetten zich met wijd uitgespreide vleugels op ‘t zand.  [...] Dagpauwogen, Atalanta’s, groote-vossen en rouwmantels, deden blijkbaar niet anders dan zich koesteren in de lentezon, op het vochtige, lauwe zand.”
Jaren later vertelt Thijsse in een van zijn Verkadealbums over “een boschweg in het Natuurmonument Hagenau [bij Dieren]. Die weg lag mooi beschut en de zon scheen er net op en nu zaten op den warmen donkeren boschgrond de overwinterde Koningsmantels, Vossen, Dagpauwogen en Citroentjes zich te zonnen. Later vond ik ze, honig zuigend op de Roode Boschbessen, bloemen waar je eerder hommels op verwacht dan Koningsmantels.”
En weer eerder, in een nog een ander boek: “Het smalle zandpad wordt langzaam een breede boschweg met diepe wagensporen. [...] Langzaam, zoekend naar ‘t beste plekje, waar een zonnestraal den rand van het poeltje een gulden lijstje geeft, dwarrelen ze neer, de bonte kapellen: veel dagpauwoogen, atalanta’s, groote-vossen en een enkele koningsmantel, fluweelig donkerrood met witten vleugelzoom. [...] We zullen ze niet vangen; de tijd van zucht naar hebben, thuis in glazen doozen in rijen opgeprikt, is voorbij; dat was goed voor toen, om kennis te verzamelen en te leeren onderscheiden. Daar zijn we overheen, gelukkig [...] ‘t Is nu de tijd voor bedachtzaam kijken en bewonderen in de vrije natuur, van denken over ‘t korte raadselachtige leven, van nagaan wat zij doen en of daar niet meer is in dat mooie lijfje dan enkel maar een mogelijkheid tot vliegen, eten, drinken, eieren leggen, of daar niet schuilt een lust tot leven, pret in ‘t stoeien met elkaar, een blij zijn met de zon, de blinkend blauwe lucht en ‘t mooie stille bosch, met zijn vloer van lente-bloemen”.
Zoiets lezen, daar word ik vrolijk van!
Vrolijk met een rouwrandje want behalve dat er geen rouwmantels meer zijn, dwarrelen er ook geen dagpauwogen, atalanta’s, grote vossen en citroentjes neer als ik in het voorjaar over een zonnig bospad wandel. Hooguit zie ik er eentje, en na een poosje nog eentje. Grote vossen al helemaal niet; die zijn nog niet helemaal verdwenen, maar wel bijna. Wat ook verdween, is die schrijfstijl, dat lyrische; wel jammer. En iets waar je tegenwoordig als natuurschrijver niet mee mag aankomen: het antropomorfiseren. Géén menselijke eigenschappen aan dieren toedichten, als natuurkenner welteverstaan! Behalve in een praatje over de heg, babbelend over gemene eksters, rotvossen of schattige roodbosten, daar mag dat best.
Onder de vele tegenstrijdigheden die ik in mij verenig is dit er een: over de heg probeer ik anderen uit te leggen dat roodborsten niet schattig en eksters niet gemeen zijn. Maar ik vind het wel jammer dat de natuurkenners er zo krampachtig over doen. Meten is weliswaar weten, maar weten is nog geen begrijpen. En vanuit empathie kunnen nieuwe vragen ontstaan. Ze zijn niet altijd onderzoekbaar, maar ik vind het een goede vraag: zou een vlinder pret hebben?
Waar ik niet rouwig om ben: de tijd van het vangen is voorbij.


Januari 2017


Opmerkingen
Hoewel de rouwmantel een vrij algemene vlinder was tot de eerste helft van de twintigste eeuw, heb ik lang moeten zoeken naar een afbeelding ervan op oude prenten of schilderijen. In het Verkade-album De bloemen en hun vrienden staat een prent van een rouwmantel, getekend door H. Rol (te zien onder het tabblad ‘Verdwenen vlinders’). Op oude bloemstillevens, waarop vaak vlinders en andere insecten zijn te zien, zag ik de meest algemene soorten als citroenvlinder, koolwitje, dagpauwoog, kleine vos, distelvlinder en atalanta, maar geen rouwmantel. Ik zoek nog verder of ik een rouwmantel van Nederlandse bodem kan vinden.
Matthias Merian is de halfbroer van Maria Sybilla Merian. De kunstenaarsfamilie Merian had in Frankfurt een uitgeverij. Matthias was graveur en heeft altijd in Frankfurt gewoond en gewerkt. Maria Sybilla Merian is naar Nederland verhuisd, en woonde onder andere in Amsterdam. Ze verwierf faam door haar prachtige afbeeldingen van insecten en bloemen en haar studie van de metamorfose van vlinders.


Koningsmantel is een oude naam voor rouwmantel


Landgoed Hagenau werd in 1910 door Natuurmonumenten, dat toen pas vijf jaar bestond, aangekocht en vormde het begin voor wat later de Veluwezoom zou worden.


Bronnen
Afbeelding: een detail van een pagina met kopergravures van vlinders uit: 1489 Afbeeldingen van gekerfde dieren. Vlinders, vliegen, wormen, slangen en draken. In koper gesneden door Mattias Merian. Oorspronkelijk Amsterdam 1660, facsimile 1976.


Citaat: “Van ‘t voorjaar…” uit E. Heimans & Jac. Thijsse, Van vlinders, vogels en bloemen. Amsterdam 1907, p. 20


Citaat: “een boschweg in Hagenau…” uit Jac Thijsse, De bloemen en haar vrienden (Verkadealbum), Zaandam 1934, p. 61

Citaat: “Het smalle zandpad…” uit E. Heimans & Jac. Thijsse, In het bosch. Amsterdam 1901, p. 20

donderdag 5 januari 2017

Zo leven zij van de zonneschijn


Eruca, alse Liber Rerum seghet
Afbeelding van twee rupsen in Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlandt


Deze bruine reuzenvissen met hun melancholische blik die op bomen liggen, hoewel, het kunnen ook boerenkoolplanten zijn, zijn rupsen. “Eruca als Liber Rerum seghet / es een worm die tetene pleget / colen ende loof van bomen / misselic ghevarwet mach mense gomen / rupsemen heetment in onse tale [Eruca zoals Liber Rerum zegt / is een worm die te eten pleegt / kolen en loof van bomen / verschillend gekleurd mag men het noemen / rups heet het in onze taal].
In de twee hertalingen die op internet staan, wordt de ‘Eruca’ vertaald als koolwitje (Davidse) of rupsen die op kool voorkomen (Koomen). Van drie witjes-soorten kun je de rupsen op kool vinden, namelijk die van het klein en groot koolwitje en van het klein geaderd witje. Deze rupsen leven van kruisbloemigen, waaronder kool en rucola. De Latijnse naam voor rucola is Eruca Sativa, en dit gewas werd al in de Middeleeuwen als kruid in tuinen gekweekt. Dus dat zou goed kunnen dat van Maerlandt hier de koolwitjes beschrijft.
Maar hij schrijft dat de rups ook van het lover van bomen eet. Zou dat een foutje zijn (want bomen zijn niet kruisbloemig), of zou hij ook andere vlindersoorten hebben bedoeld? Het groot geaderd bijvoorbeeld? De rupsen daarvan eten namelijk de bladeren van bomen, zoals sleedoorn, pruim en peer. Deze vlindersoort kwam tot 1920 vrij algemeen voor in Nederland, maar werd toen allengs zeldzamer en is sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw uit Nederland (en Vlaanderen) verdwenen. Maar het zóu kunnen dat het in de Middeleeuwen een algemene vlinder was. Op vlindernet.nl lees ik dat hij vroeger het boomwitje werd genoemd: dus men sprak toen van kool-witjes en boom-witjes. En de laatste konden een ware plaag vormen in boomgaarden. En warempel, van Maerlandt schrijft dat “seere scaden si die vrucht” [zeer beschadigen ze de vrucht]. En de kleur van de rupsen is… bruin/zwart met lange donkere haren, terwijl die van de drie andere witjes groen of geel-zwart is en korte witte haren.
Wat ik hier schrijf is natuurlijk vreselijk speculatief. Ik ben geen historicus en ook geen bioloog maar haal mijn kennis, net als van Maerlandt, bij anderen. Ik heb nog nooit een groot geaderd witje gezien, laat staan de rups ervan. Maar ik vind het leuk dat ik nu het gevoel heb dat ik het groot geaderd witje, hoewel verdwenen uit Nederland, toch gevonden heb!
“So leuen si biden somer schine / ende biden dauwe sonder pine” [dan leven ze van de zonneschijn / en van de dauw, zonder pijn].


Januari 2017

Bronnen
Koninklijke Bibliotheek scan van Der Naturen Bloeme: https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/der-naturen-bloeme-jacob-van-maerlant

Bewerking door Ad Davidse van Der Naturen Bloeme: https://adcs.home.xs4all.nl/NatBl/Index.html
De zin: “misselic ghevarwet mach mense gomen” wordt door Davidse hertaald als: veelsoortig gekleurd [als men] oplet.

De hertaling is van Nico Koomen, te vinden op:

Informatie over het groot geaderd witje:

De afbeelding: