Posts tonen met het label natuurboeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuurboeken. Alle posts tonen

vrijdag 10 februari 2017

Huisvlijt



Plaat 35 uit deel II van Der Raupen wunderbare Verwandelung
Slee-Pruim-Bladeren


Het is dit jaar 300 jaar geleden dat Maria Sibylla Merian is overleden. Op 13 januari 1717 dus, in Amsterdam. Dat lijkt mij een goede aanleiding me in haar werk en biografie te verdiepen. Ik ben meteen maar begonnen met de biografie Chrysalis die Kim Todd over haar heeft geschreven, en het driedelige boek over de Europese rupsen en vlinders van Merian. Van dit boek zijn zowel de oorspronkelijke Duitse versie met ingekleurde prenten als de later door haarzelf naar het Nederlands vertaalde versie, helaas niet ingekleurd,  online te bekijken. Het zou anders wel een erg dure hobby worden!
In deze drie boeken staan enkele dagvlinders maar vooral nachtvlinders, veel sluipwespen en vliegen die op de vlinders parasiteren, en nog wat andere insecten. Omdat ik vooral thuis ben in de dagvlinders, begin ik daar maar mee. Veertien dagvlinders heb ik op de platen gevonden. De meeste zijn ook nu nog algemene soorten, omdat ze haar rupsen en vlinders vooral in tuinen zocht. Maar er zijn er ook een paar die in Nederland inmiddels zeldzaam zijn geworden of verdwenen.
Merian heeft haar hele leven rupsen gevangen en opgekweekt en haar tekeningen en notities werkte ze uit in aquarellen waarop ze een compositie maakte van de voedselplant, de vlinder in alle stadia en vaak ook de parasiet. Er is mij geen hedendaags boek bekend waarop al deze informatie, inclusief de parasiet, is beschreven. Alleen al daarom vind ik haar boek leerzaam. Een andere uitdaging is dat wel de planten benoemd zijn (zoals bij de plaat hierboven: de sleepruim), maar niet de insecten. Dat is nog altijd méér dan wanneer ik in de zomer een rups aan een blad zie knabbelen, want die dragen beide geen naamkaartje. Zo heb ik dus wat te puzzelen deze winter. Maar wat ik het leukste vind, is dat het nauwkeurig bekijken van de platen steeds nieuwe vragen oproept: over uiterlijk, levenswijze, ecologie van de vlinder; maar vooral ook over die vrouw van meer dan driehonderd jaar geleden, haar leven, haar drijfveren, de hobbels op haar weg, haar ‘ecologie’. Wat wist men in haar tijd over insecten? Hoe dacht men over natuur? Hoe werd er naar haar gekeken?


Hierboven is de prent met het groot geaderd witje te zien. Anders dan bij de meeste prenten heeft Merian hier niet een compositie gemaakt van de voedselplant met de vlinder in verschillende stadia erop, maar het blad gevuld met afzonderlijke tekeningen van het groot geaderd witje, een nachtvlinder (donsvlinder denk ik) en een parasitaire vlieg.
Het imago (het laatste stadium van de vlinder) van het groot geaderd witje is moeiteloos te herkennen. De rups is hariger en donkerder geel dan op de tekening te zien is. Het is mij op meer platen van Merian opgevallen dat de rupsen minder harig zijn dan in werkelijkheid. Maar wat is werkelijkheid? Misschien waren de harige rupsen toen, driehonderd jaar geleden, gewoon minder harig dan nu, en krijgen ze steeds langere haren om hun predatoren een stapje voor te blijven. Bij mijn weten eet alleen de koekoek harige rupsen. Maar misschien zijn er nog andere vogels die zich wagen aan rupsen met kortere haren…?  
De pop op de prent is wit met zwarte en gele puntjes. In de tekst schrijft ze dat “zommige wit, geel en swart geplekt, andere zyn groen en geel met swarte vlakken”. Ze heeft dus aardig wat rupsen opgekweekt om deze kleurvariatie te kunnen opmerken. Nu hebben twee Duitse universiteiten hun boek online gezet, en in het andere boekexemplaar is de pop geelachtig ingekleurd. In beide boeken staat dus een variant! In de Duitse tekst beschrijft ze nog een detail dat op de tekening niet is te zien: dat de pop met een zijden draad die halverwege om het ‘lijf’ zit aan de tak vastzit. Niet getekend, wel gezien!


  
Detail, links van het boek uit Frankfurt, rechts uit Erlangen; en een foto van de groene variant


In het Duitse boek vertelt Merian dat ze geen eitjes heeft kunnen tekenen, omdat de imago’s in een vlinderkasje altijd meteen dood gingen. Een klein roerend detail: het groot geaderd witje moet haar vleugels kunnen uitslaan!
Maar dat betekent dus ook dat zij elke rups, die ze opkweekte en liet verpoppen om de rups, pop en vlinder van deze soort na te kunnen tekenen, in fruitbomen moest zoeken. Of zou ze een buurjongetje gevraagd hebben om voor een pfennig de boom in te klimmen en rupsen te zoeken? Hoe dan ook, omdat ze de kleurvariaties van de pop beschrijft, heeft ze een heleboel rupsen opgekweekt. Waarom deed ze dat? Om ze voor deze plaat te kunnen natekenen, had ze met één of twee keer opkweken genoeg ‘materiaal’ gehad.
In het voorwoord van het eerste deel vind ik iets van een antwoord hierop. “Da ich dann / nach fleissiger und langwieriger Untersuchung / endlich soviel befunden / daß diese Manier und Veränderungs-art fast einerlei seih; ausser daß [...] aus manchen Raupen oder Würmern gar Fliegen / oder Mucken werden”.  Vrij vertaald zegt ze dat ze door vlijtig en langdurig onderzoek bevond dat de rupsen vrijwel steeds op dezelfde manier veranderen, met uitzondering van enkele rupsen waar vliegen of muggen (sluipwespen) uitkwamen. Haar belangstelling reikte dus verder dan haar kunst. Ze kweekte de rupsen niet alleen om aan modellen te komen voor haar schilderijen en prenten, maar ook omdat ze erachter wilde komen of  rupsen altijd in vlinders veranderen, en rupsen van hetzelfde uiterlijk altijd in vlinders van hetzelfde uiterlijk veranderen. Ze zocht naar een wetmatigheid en ze was bezig met classificeren, met het in beeld brengen van vlindersoorten in een tijd -bijna een eeuw voor Linneus- dat er nog geen officiële namen aan waren gegeven.


Tot de jaren twintig van de vorige eeuw was het groot geaderd witje, toen nog boomwitje genoemd, een algemene soort in Zuid- en Oost Nederland, maar daarna ging het geleidelijk bergafwaarts, oorzaak onbekend. Sinds 1975 is het groot geaderd witje uit Nederland verdwenen. Hij was vooral te vinden in “sleedoorn, pruimen-, appel- en perenbomen, dus op allerhande fruithout, hetgeen onvermijdelijk meebrengt, dat de rupsen in ‘goede’ [boomwitjes-] jaren soms zeer schadelijk kunnen zijn”, zo staat in een vlinderboek uit 1941 te lezen. Misschien werd de flitspuit wat veel gehanteerd in de Nederlandse boomgaarden…?


Het op naam brengen van de nachtvlinder kostte me nogal moeite. Het gele achterlijf leek te wijzen op de donsvlinder, maar ik vond het merkwaardig dat Merian de kop ook geel had gekleurd. In het boekexemplaar van de universiteit van Frankfurt is alleen het achterlijf geel gekleurd. In de literatuur valt steeds te lezen dat het inkleuren alleen door haarzelf of -toen deze oud genoeg waren- haar dochters werd gedaan. Zo te zien slopen daar  soms slordigheidsfoutjes in! Allemaal handwerk!!
De vlindertjes steken hun opvallend gele achterwerk omhoog bij verstoring: een hongerige vogel zou daarvan kunnen schrikken.


          
Detail, links uit het boek van Frankfurt, rechts Erlangen; en een foto





Februari 2017


Bronnen
Afbeelding: Kupfer XXXV uit Der Raupen wunderbare Verwandelung enz. deel II, online exemplaar van de universiteit van Erlangen-Nürnberg
rechtsonder: rups donsvlinder
linksonder: pop en spinsel en jonge rups donsvlinder
middenonder: imago donsvlinder en rechts daarnaast imago vrouwtje dat eitjes legt, bedekt met spinsel
links-midden: van boven naar onder parasitaire vlieg, pop en made
rechts-midden: rups van groot geaderd witje
midden-midden: pop groot geaderd witje
linksboven: imago groot geaderd witje
rechtsboven: idem


De linker detailafbeeldingen zijn afkomstig van het online exemplaar van de universiteit van Frankfurt


De foto van de pop van het groot geaderd witje (door mij bewerkt):


De foto van de donsvlinder:


De tekst over het groot geaderd witje in de Nederlandse uitgave (Der Rupsen begin, voedzel enz.)
Hooger opwaarts zit mede een Rups op een Sleeblad, zynde swart geel gestreept en glantzig van lyf; in ‘t midden van Augusti klampen ze zich vast aan een takje, omwinden zich vast met witte draat, gelyk zyde, en veranderen in Popjes, zynde zommige wit, geel en swart geplekt, andere zyn groen en geel met swarte vlakken, geraakt zynde zyn ze zeer beweegende; in ‘t laatst van Augusti komen daar witte en geele witjes uit, zynde de vlerkjes met swarte streepjes geteekent, ook is ‘t lyf, de oogen en pootjes swart, zynde over dag zeer snel en vlugt.


“Da ich dann / nach fleissiger …” uit deel I van Der Raupen wunderbare Verwandelung enz., online exemplaar van de universiteit van Erlangen-Nürnberg


Voor de vergelijking met recente informatie waren de volgende sites en boek het meest bruikbaar:
Heiko Bellman, Vlinders, rupsen en waardplanten. Utrecht 2003.


“Sleedoorn-, pruimen-, appel…” uit Rinke Tolman, Vlinders I, deel 21 van ‘Wat leeft en groeit’. Utrecht z.j. [1941], p. 23


Flit werd sinds 1920 door Esso verkocht als bestrijdingsmiddel tegen insecten. Het bevatte DDT.

dinsdag 10 januari 2017

Een worm die te vliegen pleegt



Papilio als liber rerum seget
Afbeelding van een vlinder in Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlandt

Dit beestje met puntige vleugels is een “Papilio als liber rerum seget, es een worm die te vliegen pleget”. Het ‘Liber de natura rerum’ (Boek over de natuur der dingen) was een encyclopedie, geschreven door Thomas van Cantimpré, een geestelijke uit (nu Belgisch) Brabant. In het boek, geschreven tussen ongeveer 1230 en 1245 in het Latijn, was alle toenmalige kennis over de wereld opgetekend. Jacob van Maerlandt gebruikte dit boek dan weer als belangrijkste bron voor zíjn boek, maar beschreef alles in verzen in de volkstaal.
Hij schrijft dat de papilio in de oogstmaand (augustus) eitjes legt en sterft. In de daaropvolgende zomer, als het weer warm is, komen er “wormen” uit de eitjes, “en vliegen als hun vaders deden”. In de twee laatste regels schrijft hij over de de papilio: “som wit, som blaeu, som pellijn” [soms wit, soms blauw, soms pellijn]. Pellijn is een Middelnederlands woord voor purperkleurig. Van Maerlandt lijkt met zijn Papilio dus allerlei soorten vlinders te bedoelen.


Wat mij fascineert is, dat uit deze beschrijving blijkt dat er al in de late Middeleeuwen kennis was over de levenswijze van vlinders.
Tot de Verlichting was kennis vooral gebaseerd op wat men uit boeken kon leren en wat natuurkennis betreft was Aristoteles de belangrijkste leermeester. Deze had wel de anatomie en het gedrag van sommige insecten, zoals de bijen, mieren en kevers beschreven, maar niet hun ontwikkeling van ei naar larve, pop, imago. Aristoteles meende dat de meeste insecten zich niet geslachtelijk voortplanten, maar ontstonden door ‘spontane generatie’. Dit betekent dat het leven vanzelf ontstaat. Men zag bijvoorbeeld maden uit vlees kruipen, zonder te weten dat vliegen hierop eitjes hadden gelegd, en dacht daardoor dat de maden spontaan waren ontstaan.
Maar uit de beschrijving van van Maerlandt van de Papilio en ook uit de andere drie lemma’s over vlinders, blijkt dat er in de late Middeleeuwen wel degelijk kennis was over de manier waarop vlinders zich voortplanten.
Zo worden er bij de zijdevlinder Lanificus geen doekjes gewonden om de geslachtsdaad: “Drie dage dan houtsi hare genoot / ende danne bliuet die vader doot / se leghet die moeder vp een cleet / menich sadekiin ghereet [Drie dagen bekennen ze hun echtgenoot / en dan blijft de vader dood / dan legt de moeder op een kleed / menig zaadje gereed]. Hoewel het woord ‘saet’ wordt gebruikt in plaats van eitje, is het duidelijk dat hier het laatste bedoeld is.
Ook zijn de stadia van ei, rups, pop of cocon en vlinder in de vier lemma’s over vlinders te herkennen. Opnieuw bij Lanificus: “Es een worm die side spinnet / met uele voeten ende bont [...] endehine uut in gheenen tiiden / dan moer bladen ende anders niet” [is een worm die zijde spint / met vele voeten en bont [...] en nuttigt in geen tijden / dan moerbladeren en anders niet]. Zie hier een duidelijke beschrijving van een rups! Een worm met veel pootjes en haren (bont), dat alsmaar bladeren eet.
De verpopping is uitgebreid bij de zijdevlinder beschreven, maar ook kort bij het witje Eruca: nadat de rups kool en blaadjes van bomen heeft gegeten “Wort anders gedaen haer vel / ende wort vlieghende indie lucht [dan wordt anders gedaan hun vel / en wordt ze vliegend in de lucht]. Er verandert dus iets aan het vel, en daarna kan het beestje vliegen. De beschrijving van de zijdevlinder is nog duidelijker: ze spint als het ware om een spil, sluit zichzelf daarbinnen op en kruipt hier later bovenuit, alleen is het dan niet meer een kruipend beest, maar een dat vliegt.
Tenslotte beschrijft hij bij zowel het witje Eruca, de zijdevlinder Lanificus als bij de vlinder Papilio dat de vlinder na het leggen van de eitjes sterft en dat in de zomer erna hieruit weer een nieuwe cyclus start. Dat vlinders ook als rups of vlinder overwinteren, was kennelijk niet bekend.


Januari 2017


Bronnen
Koninklijke Bibliotheek scan van Der Naturen Bloeme: https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/der-naturen-bloeme-jacob-van-maerlant


De hertaling is van Nico Koomen, te vinden op:
http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/Der%20Naturen%20bloeme.htm (met <ctr> F zoeken naar Eruca, Ranificus of Papilio)


Eric Jorink schrijft in Het boeck der nature. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715 op p. 191 dat de kennis over insecten tot ver in de zeventiende eeuw vooral ontleend was aan Aristoteles, waaronder diens idee over spontane generatie. Pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw werd de theorie van spontane generatie door de Italiaan Redi en de Nederlander Swammerdam weerlegd (p. 219).

De afbeelding:

donderdag 5 januari 2017

Zo leven zij van de zonneschijn


Eruca, alse Liber Rerum seghet
Afbeelding van twee rupsen in Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlandt


Deze bruine reuzenvissen met hun melancholische blik die op bomen liggen, hoewel, het kunnen ook boerenkoolplanten zijn, zijn rupsen. “Eruca als Liber Rerum seghet / es een worm die tetene pleget / colen ende loof van bomen / misselic ghevarwet mach mense gomen / rupsemen heetment in onse tale [Eruca zoals Liber Rerum zegt / is een worm die te eten pleegt / kolen en loof van bomen / verschillend gekleurd mag men het noemen / rups heet het in onze taal].
In de twee hertalingen die op internet staan, wordt de ‘Eruca’ vertaald als koolwitje (Davidse) of rupsen die op kool voorkomen (Koomen). Van drie witjes-soorten kun je de rupsen op kool vinden, namelijk die van het klein en groot koolwitje en van het klein geaderd witje. Deze rupsen leven van kruisbloemigen, waaronder kool en rucola. De Latijnse naam voor rucola is Eruca Sativa, en dit gewas werd al in de Middeleeuwen als kruid in tuinen gekweekt. Dus dat zou goed kunnen dat van Maerlandt hier de koolwitjes beschrijft.
Maar hij schrijft dat de rups ook van het lover van bomen eet. Zou dat een foutje zijn (want bomen zijn niet kruisbloemig), of zou hij ook andere vlindersoorten hebben bedoeld? Het groot geaderd bijvoorbeeld? De rupsen daarvan eten namelijk de bladeren van bomen, zoals sleedoorn, pruim en peer. Deze vlindersoort kwam tot 1920 vrij algemeen voor in Nederland, maar werd toen allengs zeldzamer en is sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw uit Nederland (en Vlaanderen) verdwenen. Maar het zóu kunnen dat het in de Middeleeuwen een algemene vlinder was. Op vlindernet.nl lees ik dat hij vroeger het boomwitje werd genoemd: dus men sprak toen van kool-witjes en boom-witjes. En de laatste konden een ware plaag vormen in boomgaarden. En warempel, van Maerlandt schrijft dat “seere scaden si die vrucht” [zeer beschadigen ze de vrucht]. En de kleur van de rupsen is… bruin/zwart met lange donkere haren, terwijl die van de drie andere witjes groen of geel-zwart is en korte witte haren.
Wat ik hier schrijf is natuurlijk vreselijk speculatief. Ik ben geen historicus en ook geen bioloog maar haal mijn kennis, net als van Maerlandt, bij anderen. Ik heb nog nooit een groot geaderd witje gezien, laat staan de rups ervan. Maar ik vind het leuk dat ik nu het gevoel heb dat ik het groot geaderd witje, hoewel verdwenen uit Nederland, toch gevonden heb!
“So leuen si biden somer schine / ende biden dauwe sonder pine” [dan leven ze van de zonneschijn / en van de dauw, zonder pijn].


Januari 2017

Bronnen
Koninklijke Bibliotheek scan van Der Naturen Bloeme: https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/der-naturen-bloeme-jacob-van-maerlant

Bewerking door Ad Davidse van Der Naturen Bloeme: https://adcs.home.xs4all.nl/NatBl/Index.html
De zin: “misselic ghevarwet mach mense gomen” wordt door Davidse hertaald als: veelsoortig gekleurd [als men] oplet.

De hertaling is van Nico Koomen, te vinden op:

Informatie over het groot geaderd witje:

De afbeelding:

Een worm die zijde spint



Lanificus na datment kinnet
Afbeelding van de rups van de zijdevlinder in Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlandt




Vier vlinders vond ik dus in Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlandt.
Twee lemma’s gaan over de zijdevlinder (Bombyx Mori). Dat is verwarrend, omdat er twee verschillende afbeeldingen bijstaan: op de ene afbeelding (te zien in de blog ‘Via via’) staat een witte vlinder (nou ja, vlinder, je moet wel weten dat het om een vlinder gaat, wil je het erin herkennen!), op de andere een beestje dat eigenlijk meer op een bruine vis lijkt die aan de voet van een boom in het gras ligt.
De witte noemt van Maerlandt een Bombax en dat lijkt voldoende op het huidige Bombyx mori (zijdevlinder) om er zeker van te zijn dat het om hetzelfde beestje gaat. Bovendien beschrijft hij het als een dier dat “wol” spint, waarvan dure zijde wordt gemaakt.
De bruine landvis hierboven noemt hij een “Lanificus” en hij beschrijft nauwkeurig hoe de zijdevlinder gekweekt wordt. Tja, dan zal het toch wel over hetzelfde dier gaan. “Lanificus na datment kinnet / es een worm die side spinnet” [Ranificus naar dat men het kent / is een worm die zijde spint]. Na een beschrijving van de cocon die wordt gesponnen en de verpopping en paring vervolgt hij: “Se leghet die moeder vp een cleet / menich sadekiin ghereet” [Dan legt de moeder op een kleed / menig zaadje gereed]. Het kleed met de eitjes moet ‘s winters zorgvuldig worden opgeborgen en als het lente is “so leghet men dat cleedekin / vor dat warme sonnekiin / ende bider sonne wert hem gegeuen / hare vorme ende haer leuen” [dan legt men dat kleedje / voor de warme zonneschijn / en bij de zon wordt hen gegeven / hun vormen en hun leven]. En dat vind ik dan toch mooi geschreven.


Dat van Maerlandt de zijdevlinder twee keer beschrijft, komt misschien, omdat hij zijn kennis uit boeken opdeed. De zijdevlinder was een insect dat men in de Middeleeuwen goed kende, omdat het voor de zijdeproductie gekweekt werd en daarom belangrijk was als inkomstenbron, net als de honingbij. Hij kon alleen gekweekt worden in warme landen waar de witte moerbeiboom groeit, omdat dit de voedselplant voor de rupsen is en de Vlaamse koster zal het diertje niet uit eigen waarneming gekend hebben. Ik ook niet trouwens.


Januari 2015


Deze blog is een vervolg op Via via (2015)


Bronnen
Koninklijke Bibliotheek scan van Der Naturen Bloeme: https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/der-naturen-bloeme-jacob-van-maerlant


De hertaling is van Nico Koomen, te vinden op:
http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/Der%20Naturen%20bloeme.htm (met <ctr> F zoeken naar Raniferus of Bombax)


De afbeelding:


maandag 2 januari 2017

Via via



“Bombax alse Plinius segt”
Afbeelding van een zijdevlinder uit Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlandt


Via is Latijn voor weg, en via via betekent ‘langs diverse tussenpersonen’ al zou het met wat fantasie -ik ben geen latinist- ook de Weg der Wegen kunnen betekenen. En tot de Verlichting liep de Weg der Wegen om tot kennis over de natuur te komen via vele tussenpersonen, door steeds weer te lezen en over te schrijven wat eerdere denkers hierover hadden geschreven in plaats van naar buiten te gaan -een gang van zaken die mij vooral in de winter erg aanspreekt-.
Mijn winterwandelingen over het wereldwijde web gaan ook via via, en zo stuitte ik op de naam van Jacob van Maerlandt, een Vlaams dichter uit de dertiende eeuw. Hij was koster van beroep, dichten deed hij erbij. Desondanks was hij, zo valt te lezen op Wikipedia, “met zijn 230.000 verzen [...] een van de productiefste middeleeuwse auteurs”. Hij vertaalde vooral uit het Latijn, waaronder zijn bekendste werk, Der Naturen Bloeme, dat hij rond 1270 schreef, de eerste natuurencyclopie in het Vlaams en vermoedelijk de laatste die in verzen is geschreven. Het was een vrije vertaling van het Liber de natura rerum (Boek over de natuur der dingen) van Thomas de Cantimpré, geschreven rond 1245, die zijn kennis weer had opgedaan uit oude boeken zoals die van Aristoteles en Plinius de Oudere.
Het bijzondere van Van Maerlandt is dat hij in de volkstaal schreef -in een tijd waarin vrijwel alles in het Latijn geschreven werd- en zo kennis, en ook de bijbel die hij vertaalde, voor een groter publiek toegankelijk maakte. Niet veel mensen konden lezen, maar rondtrekkende voordrachtskunstenaars leerden de teksten op rijm uit hun hoofd en droegen dit voor.
In Der Naturen Bloeme komt van alles aan de orde, zoals ‘wonderbaarlijke volkeren’, ‘viervoetige dieren’, vogels, vissen, watermonsters, allerlei -vooral nuttige- planten, edelstenen, ‘zowel de geneeskrachtige als de giftige’ bronnen, metalen en ‘de vele soorten insekten en kruipende dieren’. De Koninklijke Bibliotheek heeft haar exemplaar gedigitaliseerd, zodat ik er van achter mijn keukentafel doorheen kan bladeren. Het handschrift kan ik niet lezen, en zelfs de transcripties die in een uitklapmenu verborgen zitten, zijn voor mij maar bij vlagen begrijpelijk. Dus lees ik het boek zoals ik lang geleden Mijn leuk woordenboek van Richard Scarry las: ik kijk alleen naar de ‘plaatjes’ en de rest verzin ik erbij! Die ‘plaatjes’ zijn prachtige miniaturen van al die wonderlijke wezens (want is niet ieder wezen wonderlijk), ingekleurd en met bladgoud versierd. Er zijn vissen met hangoren, grote klauwen, vleugels, of alles tegelijk, maar ook een ooievaar, uil en zwaan die dan weer herkenbaar zijn. Er zijn mensen met reuzenvoeten, zonder hoofd of met een janushoofd en een moeder ligt in een bed met een kind te spelen terwijl een kikkerachtig wezen over de dekens hopst.
Maar goed, even over de ‘vele soorten insekten’. Zouden er ook vlinders tussen zitten, vroeg ik mij af. Van de plaatjes werd ik niet wijzer. De vliegende insecten zien er meestal uit als ingebakerde baby’s met puntige vleugels. God mag weten wat het moet voorstellen. Ik zocht een hertaling van de tekst naar hedendaags Nederlands en vond twee sites die hierin behulpzaam zijn. Op deze manier vond ik vier vlinders waarover ik in andere blogs zal schrijven. Een van die vlinders, de zijdevlinder, staat hierboven.
Ik zou zeggen: ga het zelf eens zien! Hieronder vind je een link naar de site van de Koninklijke Bibliotheek. Van een wandeling op de Regte Heide om dartelende heideblauwtjes te zien kan ik geen link geven, maar wel van dit prachtige boek. Op deze manier, via via dus, kun je Der Naturen Bloeme zien, wat zoveel betekent als: het beste uit de natuur.


januari 2015


Bronnen
Wikipedia over Jacob van Maerlandt:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacob_van_Maerlant


Richard Scarry, Mijn leuk woordenboek, Antwerpen 1963.


Koninklijke Bibliotheek scan van Der Naturen Bloeme: https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/der-naturen-bloeme-jacob-van-maerlant


Bewerking door Ad Davidse van Der Naturen Bloeme: https://adcs.home.xs4all.nl/NatBl/Index.html


Hertaling door Nico Koomen op