woensdag 14 juni 2017

Vlindermaffia



jachttrofee van het gentiaanblauwtje


Vlinders kijken betekent vlinders zoeken, tenzij je genoegen neemt met de vlinders die op je vlinderstruik landen.
Dat zoeken kan voor bepaalde soorten uitgroeien tot een ware speurtocht waar zowel surfvaardigheden als padvinderskwaliteiten goed van pas komen. Het surfen doe je op het internet, wel te verstaan.
Het gentiaanblauwtje is zo’n soort. Vroeger vlogen er heel wat van die vlindertjes in Nederland, maar door de verdroging en vergrassing gaat hun aantal sinds de jaren negentig pijlsnel achteruit. Je moet heel goed zoeken om er nog een te vinden.
Het zijn vrij onopvallende vlindertjes met een bijzonder levensverhaal. Ze leggen hun eitjes alleen op de bloemen van de klokjesgentiaan. De rupsjes eten van de bloembodem en laten zich dan op de grond vallen. Bepaalde knoopmiersoorten nemen de rups mee naar hun nest, omdat de rups hetzelfde ruikt als hun eigen larven. De rups blijft bijna een jaar in het mierennest en verpopt hier ook. De mieren zorgen voor de rups die ruikt als een mierenkoningin! De zomer erna verpopt de rups en verlaat als vlinder nest.
Ik smul altijd van dit soort feitjes, zoals een ander van de onthullingen over een of ander koningskind in de Privé. En ik probeer me meteen ook een voorstelling te maken van het dagelijks leven van de biologen, die dit soort dingen ontdekken.
Voor de gentiaanblauwtjes moeten er dus genoeg gentianen zijn, er moeten mieren van de juiste soort zijn en nog wat dopheide om als vlinder nectar van te drinken, op zichzelf niet zoveel eisen, maar voor onze deplorabele natuur is dit lijstje inmiddels te hoog gegrepen. Met plaggen en begrazen probeert men de laatste gebiedjes waar nog gentiaanblauwtjes vliegen te behouden. Een leger van vrijwilligers die toepasselijk Blauwe Brigades worden genoemd, helpt bovendien door met de schop kleine stukjes te plaggen, zodat gentianen en nesten van de mieren ontzien kunnen worden.
Deze gebiedjes worden zorgvuldig geheim gehouden. Naast of tegenover de blauwe brigadiers is er schijnbaar ook een leger aan vlindervangers, zeg maar vlindermaffia. Of, denk ik nu opeens, zouden de vlinderaars die niet met net, maar alleen met camera of vlinderkijker gewapend zijn, ook onder de vlindermaffia vallen? Ik weet uit eigen ervaring dat die niet zo onschuldig zijn als ze lijken...


Het begon vorig jaar. Ik ging naar een mooi heidegebied om gentiaanblauwtjes te zoeken. Op internet had ik een klein kaartje van het gebied gevonden en een parkeerplaats mèt adres zodat de tom-tom mij erheen kon brengen. Op de parkeerplaats stond een informatiebord met een betere kaart, zodat ik ter plekke op mijn printje wat paden kon intekenen.
Zo liep ik dus, voor mijn doen opvallend goed voorbereid, de heide in. Het was een warme dag in augustus, ideaal vlinderweer, de zon brandde en de heide was groot. De honden, die ik voor de gezelligheid had meegenomen, vonden het al gauw niet leuk meer en liepen meters achter me, voortgetrokken door de lange lijn. Ik was door alle beslommeringen de primaire levensbehoefte, de fles met water, vergeten. Rulle zandpaden en knisperende paarse heide alom. Het zweet gutste alle kanten op, de provisorische kaart bleek ontoereikend, maar na veel zoeken en heen en weer lopen kwam ik bij een drassig gebied met een vennetje.
Mijn honden en ik keken verlangend naar het blikkerende water in de verte, maar er liep geen pad naartoe. Wat doe je dan, als natuurliefhebber in schaapskleren? Loop je verder over het pad, weg van al dat moois? Of geef je toe aan je jachtinstinct? Loop je dwars door de kwetsbare moerasvegetatie? Met mijn verrekijker probeerde ik de afstand te overbruggen om te zien of er klokjesgentianen stonden, maar door het felle licht boven het water kon ik amper iets zien. Ik weet niet wat in me voer, maar ik bond de honden vast aan een boom en liep op blote voeten om de vegetatie te ontzien naar het ven. Ik voelde me heel slecht. Maar ik zag geen klokjesgentianen. Het leek een terechte straf. Wel doopte ik nog even mijn handen en voeten in het water, voordat ik opgelucht het slechte pad verliet. De honden vergaven me alles. Zo fijn, honden.
Ik bekeek nog enkele vennetjes, voor zover mogelijk dan, want ik was tot inkeer gekomen en bleef op het pad, maar zonder klokjesgentianen te vinden. Een teleurstelling waar ik mij bij neerlegde. Misschien kwamen de gentiaanblauwtjes (en klokjesgentianen) niet meer voor op deze heide. Of op een plekje ver weg van de paden, alleen bereikbaar voor groene en blauwe brigadiers.
Op de terugweg kwamen we vlak bij de parkeerplaats nog langs een ven pal naast het pad. 'Kom', zei ik tegen de honden, 'daar kunnen jullie pootje baden'. Terwijl de honden in het ondiepe water lagen, verheugd over de goede afloop van deze middag, viel mijn oog op een klokjesgentiaan. Al gauw zag ik vele tientallen blauwe klokjes tussen de dopheide staan. De honden keken vanuit het water geduldig toe hoe ik heen en weer liep langs het water. Maar het gehoopte vlindertje zag ik niet. Toen ik een paar gentianen van dichtbij bekeek, zag ik op elke bloem een paar eitjes. Ik was te laat om de vlinder te zien, maar op dit stukje heide was het nog niet te laat voor het gentiaanblauwtje.


Een jaar later:
Ik heb ervan geleerd: ik moet iets eerder gaan in de zomer en water meenemen (en niet meer van het pad afgaan). De honden heb ik thuis gelaten. Het is eigenlijk een inkoppertje. Auto parkeren, klein stukje naar het ven lopen, en hup, daar vliegt een beige vlindertje op uit de dopheide. Beige? Jawel, de vrouwtjes van gentiaanblauwtjes zijn niet blauw maar lichtbruin. Rustig achtervolgen, tot zij op een grashalm gaat zitten, verrekijker erop richten, en inderdaad: twee rijen wit omrande stipjes: het gentiaanblauwtje. De euforie blijft uit. Net als wanneer je een olifant in de dierentuin ziet.

Filmpjes op youtube over het gentiaanblauwtje

Staatsbosbeheer Hoge Veluwe, over de voorplanting van het gentiaanblauwtje
https://www.youtube.com/watch?v=MnvRJaW9wh0

BBC (David Attenborough), over de knoopmieren die de larven meenemen naar hun nest
https://www.youtube.com/watch?v=ocWgSgMGxOc

BBC (David Attenborough), over de sluipwesp die parasiteert op de larve van het gentiaanblauwtje
https://www.youtube.com/results?search_query=phengaris+alcon

De eenzame vlinder

Ik heb dus het icarusblauwtje in mijn tuin.
Maar dat geeft ook meteen een hoop zorg.

Dat zit zo.
Op de foto’s die ik had gemaakt, zag ik dat één van de vleugelpunten een beetje beschadigd is. Misschien heeft een vogel naar hem gehapt en wist hij nog net te ontsnappen.


Drie dagen later maakte mijn man ook foto’s van het icarusblauwtje:


En weer dat hapje uit de vleugelpunt… Ik kijk nog eens goed naar andere foto's die ik de afgelopen dagen heb gemaakt: allemaal met hapje. Het is dus steeds hetzelfde vlindertje.
Dus eigenlijk zit niet ‘het’ icarusblauwtje in mijn tuin, maar één icarusblauwtje. Vrouwtjes, makkelijk te onderscheiden omdat de bovenkant meer bruin is, heb ik helemaal niet gezien. Zelfs niet één.

Eerst dacht ik nog: is het niet geweldig dat ‘het’ icarusblauwtje mijn tuin met die paar rolklavers weet te vinden!! Om ons huis zijn vooral paarden- en koeienweiden. De berm langs de weg heeft weinig bloemen.
Het dichtstbijzijnde bloemenweitje, waar ik ooit icarusblauwtjes zag, is in vogelvlucht zeven kilometer van onze tuin vandaan, in vlindervlucht nog veel verder. Dat is bovendien een prachtig weitje, geen reden voor een icarusblauwtje om het verderop te proberen. Misschien vliegen er icarusblauwtjes langs de bermen bij het spoor of de autoweg (maar één of twee kilometer van onze tuin), waar aardig wat bloemen staan, en komt hij daarvandaan? Ruikt hij op zo’n afstand onze rolklavertjes en vliegt hij in een rechte lijn naar onze tuin? Of is het meer trial and error, in de wilde weg? Hoe het ook zij, één mannetje heeft de kleine rolklaveroase gevonden, is ontsnapt aan een vogelhapdier, en wacht geduldig, maar vergeefs op ‘n vrouwtje.


Icarus

Icarus kreeg van zijn vader vleugels om te kunnen ontsnappen van het eiland Kreta waar hij gevangen werd gehouden, maar hoogmoed kwam ten val. Hij vloog steeds hoger, de was waarmee de veren waren vastgemaakt smolt door de hitte van de zon en hij stortte in zee. Dat zal mij niet gebeuren. Als huisvrouw heb ik mijn emancipatoire doelstellingen klein gehouden. Ik ben meer iemand die wat rondscharrelt in huis, tuin en keuken, dan dat ik mijn vleugels uitsla en naar grote hoogten reik.
Maar voor de tuin had ik toch wel een ambitieus plannetje. Ik wilde een bloemenweitje, een kleine vlinderoase. Voor een aantal vlinders hoef je niet veel te doen: een vlinderstruik en een paar koolplanten en de rest komt vanzelf. Maar ik reikte hoger. Mijn huis wordt omringd door paarden- en koeienweiden, waarin op een enkele boter- of paardenbloem na geen bloem te bekennen is. Mijn tuin moest de oase zijn in deze groene woestijn. Misschien zou ik dan ooit het icarusblauwtje in mijn tuin zien.
Icarusblauwtjes, hun naam ten spijt, zijn geen hoogvliegers. Ze fladderen laag over het gras, op zoek naar klavers, liefst rolklaver, om eitjes op te leggen. Een weitje met wat rolklaver en andere bloemetjes, het leek me niet moeilijk te realiseren. Volgens de adviezen zouden de bloemen vanzelf komen als je door maaien en het afvoeren van het gras (want: stikstof) de wei verarmt. Er kwamen inderdaad bloemen, maar dan vooral de bloempluimen van gras. Dat was even slikken, maar bloeiend gras is ook heel mooi, bij nader inzien. In gedachten noem ik het mijn grasreservaat. Want waar zie je tegenwoordig nog bloeiende graspluimen wiegen in de wind? Niet in de weilanden waar het gras wordt gemaaid voordat het bloeit en ook niet in de wegbermen, nu de mensen uit mijn dorp -en andere dorpen neem ik aan- met zitmaaiers en bosmaaiers in een handomdraai de berm voor hun huis maaien. Twee weken geleden zag ik toevallig dat mijn buurman met de zitmaaier bezig was de berm voor míjn huis te maaien. Ik rende naar buiten en bedankte hem voor het vriendelijke gebaar, maar, zei ik, ik vind dat hoge gras juist mooi. Hij rolde van verbazing haast van zijn maaier af. “Wil je niet dat het er netjes uitziet?” Een gewetensvraag voor de meeste huisvrouwen, maar niet voor mij. Ook op dit vlak zijn mijn ambities niet hoog. Ik heb niks met netjes. Ik hou wel van hoog gras met bloempluimen.
Maar twee jaar geleden flakkerden de ambities toch weer op. Ongeduldig kocht ik een zakje inheemse bloemenzaden. Verse molshopen gebruik ik sindsdien als zaaibedje voor een snufje van dit peperdure zaad.
En zie: daar verschijnen hier en daar bloemetjes! Ik zie steenanjertjes, kleine ratelaar, een paar margrieten, kamille, blaassilene, rode klaver, kaasjeskruid èn rolklaver. En vandaag -oh happy day- fladdert een klein blauw vlindertje laag over mijn grasreservaat en hij (hij is een hij) valt niet, maar landt beheerst op de rolklaver.



Icarusblauwtje op gewone rolklaver in de tuin

dinsdag 18 april 2017

Je ziet het pas als je het ziet




Heb ik hier nog iets aan toe te voegen?


Misschien. Ik kan proberen om iets van de betovering over te brengen. Want dat gevoel heeft niks met het plaatje (een foto waar fototechnisch van alles op aan te merken is) te maken.


Ik richt mijn camera op een hommel die nectar zuigt uit de pinksterbloemen in mijn tuin. Ik ben best trots op die bloemen. Ik had wel eens zaad verzameld van pinksterbloemen en dat in mijn tuin uitgestrooid. Jarenlang had ik twee, drie, soms wel vijf pinksterbloemen. Dit jaar zomaar opeens 27 bloemstengels! Ik zit een beetje te klungelen met scherpstellen op de hommel en heb al heel wat foto’s gemaakt als er in mijn ooghoek iets beweegt. Dan zie ik het pas: op de bloem ernaast zit een oranjetipje. Hij zit behoorlijk pontificaal bovenop de bloem en toch had ik hem niet gezien! Hij zit te koukleumen. Het is nog vrij vroeg, de zon geeft nog niet veel warmte.
In dit geval is peterselievlindertje een betere naam. Met de vleugeltjes dicht valt hij haast niet op. Je ziet het pas als je het ziet! Een dag eerder vond iemand met een scherpere blik dan ik er één op fluitekruid. Dáárop is de camouflage perfect.




Ik ga er eens rustig voor zitten en maak foto na foto, hoewel er niet veel beweegt of verandert. Het is licht verslavend, zo’n prachtig vlindertje. In mijn enthousiasme ben ik net tot de conclusie gekomen dat hij zó, van de peterselie-zijde met dichtgeklapte vleugels, het mooiste is, als hij de vleugels een tikje opent…

Bloesem







De eerste bloesem in mijn tuin!  De slingers hangen aan de bomen voor het verjaardagsfeestje van de pruimenbomen. Alle vrienden zijn uitgenodigd. Het gonst van de honingbijen rondom de bloesemtakken. Ik probeer er een op de foto te krijgen terwijl ze op een bloem zit, maar wat een haast, wat een haast hebben ze. Een bloembezoek duurt minder dan een halve seconde en voordat ik de camera ingezoomd heb, is de bij alweer gevlogen. En voor de geduldstactiek, dat wil zeggen: de camera ingezoomd en ‘schietklaar’ op één bloem gericht houden en wachten tot er een bij op landt, heb ik zelf dan weer teveel ‘haast’. Maar de gehakkelde aurelia, net wakker uit haar winterslaapje dat zij ergens, vermomd als dor blaadje, verborgen in een takkenhoop of zo heeft gedaan, zuigt met genoegen langdurig van de nectar. De roltong wordt kalmpjes in de bloemkelk gedoopt en er wordt aandachtig gedronken. Dan draait ze (het kan ook een hij zijn) haar lichaam een stukje en steekt de tong nog eens in de bloem, misschien om beter bij het laatste restje te komen. Een stukje opschuiven en de volgende bloem is aan de beurt.


april 2017

maandag 20 maart 2017

Dik en plomp


Plaat 48 deel I: Malva


Solche Raupen / dergleichen eine / auf dem untersten / grünen Blatt umher kreucht [...] / scheinen etwas dick und ungelenk zu sein.
Zulke rupsen waarvan er een op het onderste groene blad rondkruipt, lijken wat dik en plomp.


Deze prent heeft mij hoofdbrekens bezorgd. De voedselplant, kaasjeskruid, wijst eigenlijk eenduidig in de richting van het kaasjeskruiddikkopje. Als ik zelf niet zo pietluttig zou zijn, dan was ik hier snel mee klaar geweest. Want kijk naar foto’s van het kaasjeskruiddikkopje en van de rups ervan, en dan zeg je: ja, dat lijkt best wel.
Maar mij zat die gele lengtestreep op het lijf van de rups dwars. En trouwens ook die zwartbruine kleur van de vlinder. Nee, het kon mij niet overtuigen.




  
Rups en imago van het kaasjeskruiddikkopje




Nu is het zo dat de platen in dit boek, toen het in 1679 verscheen, stuk voor stuk met de hand ingekleurd moesten worden. Merian deed dit zelf, maar het boek was dan natuurlijk wel duurder. Er zullen ook kopers zijn geweest die het zelf inkleurden. Misschien is dit exemplaar niet door Merian zelf ingekleurd, dacht ik.
Gelukkig is er nóg een ander boekexemplaar online gezet. De prenten in dit exemplaar zijn allemaal wat zachter van kleur.



   
Details uit dezelfde plaat van een ander boekexemplaar

De vlinder lijkt daardoor al wat beter, al is die zo kenmerkende donkere vlek op de voorvleugel niet echt -of niet echt duidelijk- te zien. Maar die rups heeft nog steeds zo’n opvallende lengtestreep…
In de Duitse tekst beschrijft ze de rups als volgt: “sind braun/ und haben einen schwarzen Kopf/ hinter demselben etwas gelbes/ scheinen etwas dick und ungelenk zu sein [...] diese alle [pootjes] sind [..] aschenfarb/ wie auch ferner das übrige von den Raupen also beschaffen ist.” Een nauwkeuriger beschrijving van de rups valt eigenlijk nauwelijks te geven: bruine rups met zwarte kop en daarachter iets geels; dik en plomp lijf; poten en rest van de rups askleurig. Nu we het er toch over hebben: dat askleurige lijf is in beide ingekleurde prenten ook niet echt uit de verf gekomen.

Hoe zou dat gegaan zijn met het inkleuren? Zou iemand anders de twee boeken hebben ingekleurd? Of zou de concentratie verslapt zijn toen Merian met deze plaat bezig was? Een jaar voordat dit boek verscheen, had ze haar tweede kind gekregen. Lijkt mij genoeg reden voor verslappende concentratie.

Ik begon intussen erg nieuwsgierig te worden naar de allereerste (gekleurde) schets die Merian gemaakt had van de rups en vlinder van het kaasjeskruiddikkopje. Daarvoor moest ik op zoek naar haar schetsboek, of studieboek zoals ze het zelf noemde. In dit boek had Merian aantekeningen en waterverftekeningen gemaakt van alle insecten die zij in haar leven had gekweekt. Niet lang na Merians overlijden kwam een gezant van tsaar Peter de Grote naar Nederland om kunst te kopen van Nederlandse kunstenaars. Hij bezocht ook een van de dochters van Merian en kocht alle aquarellen. Ze liet hem ook het studieboek zien en dat beviel schijnbaar: hij kocht het niet voor de tsaar, maar voor zichzelf. Toen de gezant jaren later overleed, kwam het studieboek toch nog in de kunstcollectie van de tsaar terecht. In 1979 werd hiervan een facsimile gedrukt. Na wat zoeken vond ik het bij een antiquariaat. Een boek met het gewicht en de afmetingen van een stoeptegel. Daar kan ik wel even mee vooruit!
Afbeelding 85 is van het kaasjeskruiddikkopje.


   
Details van dezelfde vlinder uit het studieboek van Merian

De lengtestreep is hier nog maar heel subtiel. Misschien heeft ze die gemaakt om diepte te geven, of om de iets lichtere kleur rondom de ademopeningen aan te geven. De kleur van de rups en vlinder kloppen ook beter (hoewel, die donkere vlekken op de vleugel…, hm). Ik was tevreden gesteld.

Het kaasjeskruiddikkopje verdween  in 1953 uit Nederland als standvlinder. Maar er is goed nieuws: in 2009 werden er twee gezien op de Sint Pietersberg bij Maastricht en sindsdien gaat het steeds beter. Klimaatopwarming wordt als oorzaak voor de gebiedsuitbreiding genoemd. Elk nadeel heb zijn voordeel.


Bronnen

Biografische gegevens over Merian zijn afkomstig uit: Kim Todd (2007), Chrysalis: Maria Sibylla Merian and the secrets of metamorphosis.

Het citaat:  Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumen-nahrung I (1679)
De (volledige) tekst in de Nederlandse uitgave luidt:
Dit bloemgewas is het voedzel van een dikke bruine Rups, wanneer ze veranderen dan rollen ze een blad in malkander en maaken een blaauwe Pop. Zommige hebben my nog in November Kapellen uitgelevert, die van een groen gemengde Koleur waren, zy bleven ook wel in haar blad tot des volgenden jaars in Januari, als wanneer daar diergelyke Kapellen uit kwamen, gelyk gezegt is.


De afbeeldingen respectievelijk:
Detail uit de facsimile van het studieboek van Merian: Wolf-Dietrich Beer (red.) Schmetterlinge, Käfer, und andere Insekten




Het goede nieuws:

vrijdag 10 maart 2017

Eerste vlinder dit jaar!





Eerste vlinder gezien! Terwijl ik in de bosrand naar een roodborsttapuit sta te luisteren (mijn eerste dit jaar) die in de bramen tussen twee weilanden zit, vliegt een vlinder, dagpauwoog denk ik, in volle vaart uit het bos en over het weiland. Die heeft haast! Ik roep hem nog na: beetje oostelijk aanhouden, dan kom je bij mijn tuin! Daar staan tenminste bloemen: krokussen, madeliefjes, sneeuwklokjes, boshyacint, kerstroos, de laatste viburnum, de eerste sleepruimbloesem en maartse viooltjes. Daar zit vast iets bij dat hij/zij lust.
Een uur later in de tuin maak ik een rondje om de bloemen te ‘checken’. In de krokussen gonst het van kleine bijtjes en een flinke moeder aardhommel. In het gras zit die dagpauwoog met gespreide vleugels te zonnen. Géén haast meer.
Laat mij dit fantasietje, dat het diezelfde dagpauwoog is die deze kleine bloemrijke oase in dit rijk van raaigras heeft gevonden.


Maart 2017

dinsdag 7 maart 2017

Kunstvlindertelling

    
Bloemstilleven van Jan Brueghel de Oude
 


Er is een krantenrubriek die ‘Nutteloze kennis’ heet. De titel fascineert mij het meest, maar soms is het artikel ook heel interessant. Kan dat eigenlijk wel, dat iets nutteloos tevens interessant is? Dan moet je je  weer afvragen wat kennis, en wat nutteloos is of beter gezegd, wanneer iets zo is. Het nadenken over deze vragen -nadenken is misschien niet hetzelfde als beantwoorden- is heel zinvol, maar als ik er zelf wat over zit te mijmeren, glas thee in de hand, dan vind ik dat ik nutteloos bezig ben. Hoogste tijd om iets te gaan doen: honden uitlaten, boodschappen doen, taart bakken.
Maar ik doe niets liever eigenlijk dan me verliezen in nutteloze dingen: mijmeren, even in de tuin kijken hoe het met de krokussen gaat, een verhaal lezen dat Frederike Uildriks begin twintigste eeuw schreef over de vogels die ‘s winters reuzel komen pikken in haar tuin. En nog zo van alles.
Zo kwam ik een paar weken geleden op het idee om de vlinders te tellen op zeventiende eeuwse bloemstillevens. Het is zoiets als een tuinvlindertelling, maar dan op bloemstillevens uit lang vervlogen tijden. De afgelopen drie jaar was de atalanta de meest geziene vlinder in de Nederlandse tuinen (de jaren ervoor was dat de kleine vos). Welke vlinder zou in de zeventiende eeuw het meest ‘gezien’ zijn, door kunstschilders en kunstkopers, vroeg ik me af. Ik vroeg me even niet af of dit een nuttige vraag is. Het moest even.


Het loopt wel een beetje uit de hand. Door met hulp van Google Afbeeldingen naar bloemstillevens te zoeken en in kunstboeken te bladeren, vind ik steeds maar weer nieuwe schilderijen en nieuwe namen van schilders. Ik heb inmiddels een lijstje met 31 namen van schilders uit de Gouden eeuw die bloemstillevens met insecten maakten. Het woord bloemstilleven heb ik in de tussentijd wat opgerekt: een stilleven met fruit en vlinders is mij ook goed, en over een studieblad met verschillende insecten zonder bloemen doe ik ook niet moeilijk. Als er maar een vlinder op staat! De enige beperking die ik mijzelf heb opgelegd is dat het schilderij tussen 1600 en 1700 gemaakt moet zijn op Nederlandse bodem. Vlaamse bodem vind ik ook prima. Nederland was toen opgerekt tot de Nederlanden. Er blijkt ook nog een praktische beperking: de afbeelding moet in kleur (dat is bij oudere boeken vaak niet zo) en scherp zijn, zeg maar: genoeg pixels hebben. Anders zijn de details van de toch al kleine vlinders niet goed te zien. Genoeg verantwoording, ik bedrijf geen wetenschap maar liefhebberij!


Inmiddels heb ik 122 schilderijen of prenten bekeken van zes kunstschilders: Jacob van Gheyn II (7 schilderijen), Roelant Saverij (4), Margareta de Heer (26), Adriaen Coorte (12), Jan Breughel de Oude (12) en Jan van Kessel I (61). Ben dus nog lang niet klaar. Maar de lente popelt om binnengelaten te worden, of eigenlijk andersom, ik popel om buitendingen te doen, dus hier komt een tussenstand.


detail uit een schilderij van Margaretha de Heer


Bij de dagvlinders:



  1. atalanta (25x)
  2. oranjetipje (14x)
  3. groot koolwitje (13x), distelvlinder (13x)
  4. kleine vos (12x)
  5. dagpauwoog (10x)



Op het oranjetipje na, dat bij de tuinvlindertelling als voorjaarsvlinder schittert door afwezigheid, lijkt dit lijstje best wel op dat van de tuinvlindertelling anno nu. Het oranjetipje ertussen vind ik wel grappig, want in de stilleven-boeketten staan ook voorjaarstulpen, zomerrozen en herfstzonnebloemen samen in de vaas.

In totaal heb ik 138 dagvlinders op de schilderijen op soortnaam kunnen identificeren en 60 niet. Dat laatste kan zijn omdat ik niet met zekerheid kan zeggen of er bijvoorbeeld een grote of kleine vos is afgebeeld, of omdat het een exoot is, of omdat details niet kloppen.




detail uit een prent van Jan van Kessel


Bij de nachtvlinders:

  1. bonte bessenvlinder (18)
  2. grote beer (12x)
  3. groot avondrood (8x)
  4. roomvlek (7x)
  5. boterbloempje (4x), gerande spanner (4x), sint jacobsvlinder (4x), witte tijger (4x)


Van de nachtvlinders kon ik er 78 op naam brengen, 35 niet. Dat de bonte bessenvlinder met 18x bovenaan staat is te danken aan Jan van Kessel die een voorliefde voor dit vlindertje had. Ik telde het 17 keer op zijn schilderijen, steeds weer een tikje anders. Het blijft een prachtig beestje, inderdaad.



Bronnen








dinsdag 21 februari 2017

Het siddrend verlang



Mannetje & vrouwtje hazelaar


De lente komt van ver, ik hoor hem komen
en de boomen hooren, de hooge trilboomen,
en de hooge luchten, de hemelluchten,
de tintellichtluchten, de blauwwitluchten,
trilluchten.


O ik hoor haar komen, o ik voel haar komen,
en ik ben zoo bang
want dit is het siddrend verlang
wat nu gaat breken -
o de lente komt, ik hoor hem komen,
hoor de luchtgolven breken
rondom rondom mijn hoofd,
ik heb het wel altijd geloofd,
nu is hij gekomen.
[...]


Herman Gorter


Ieder jaar luister ik scherp of de pimpelmees haar kerstklokjesgeluid weer laat horen, of de specht weer roffelt, het winterkoninkje weer schettert in het bos. Met zacht weer kan dat al in december. In januari houd ik de hazelaar in de gaten: worden de katjes al langer? Door de vorst van de voorbije weken heeft het dit jaar even geduurd, maar inmiddels bungelen ze als mini-stolaatjes weer aan de takken. Geplukt, in een vaasje gezet, en mannetjes- en vrouwtjesbloem van heel dichtbij bekeken.
Sinds een paar dagen hoor ik de grote lijster weer zingen. Ik hoor haar komen….
Ik wacht op de eerste vlinder.



  


 


Wat leeft en groeit


Een van de meest algemene vlinders
en drie verdwenen namen

Vorige week vond ik op een boekenmarkt een serie oude natuurboekjes met de mooie titel ‘Wat leeft en groeit’. Het waren 21 deeltjes met onderwerpen als zoogdieren, vogels en vlinders, maar ook andere beestjes als wormen, wantsen en holtedieren, waardoor ik voor tien euro de kans kreeg om een paar van mijn blinde vlekken weg te werken. Áls ik ze ga lezen, want helaas blijven veel boeken als mooie goede voornemens op de plank staan. De boekjes zijn tussen 1939 en 1951 verschenen, oorlog of geen oorlog, schrijvers en lezers blijven geïnteresseerd in wat er zoal leeft en groeit.
Voorlopig heb ik alleen de twee deeltjes over de vlinders doorgebladerd. En ik zie dat ik voor die tien euro in een klap alle zeventien inmiddels uit Nederland verdwenen dagvlinders heb ‘teruggevonden’. En niet alleen verdwenen vlinders, maar ook verdwenen vlindernamen vind ik hier op de vergeelde bladzijden. Het oranje posthoorntje, veengeeltje, Nijmeegse kapel, het dravik-dikkopje: soorten die je nog steeds in Nederland kunt zien, alleen de welluidende namen zijn verdwenen.





Bronnen

Afbeelding: tekening van Sjoerd Kuperus op p. 66 van Vlinders I (Deel 21 van ‘Wat leeft en groeit’, red. Rinke Tolman), Utrecht z.j.